Alja Spaan

Alja Spaan (Sint Pancras, 1957) schrijft elke dag een gedicht, nog voor het ontbijt en de publicaties op Meander. Niet alleen lezers, ook uitgevers, worden wel eens gek van haar enorme productiviteit maar dat kan haar natuurlijk niets schelen. Schrijven is noodzakelijk of zoals haar favoriet dichter het zegt, “Now I wish I could write you a melody so plain, That could hold you dear lady from going insane” (Bob Dylan, Tomstone Blues).
Overigens overweegt ze regelmatig om voortaan alleen maar oma te zijn!

Drie septembergedichten waarvan de laatste door de voorleesgroep geïnspireerd is.


foto Wouter van der Hoeven

 

drukdoenerij

Het is alsof wij dit beter kunnen: meteen op de grond duiken en
ons verstoppen onder de eettafel, ons hoofd stoten

of gewoon verliezen, eindeloos de hoed zoeken bij de juiste persoon
en het blad omslaan waarop de dinosaurussen het

leven verliezen, een vogeltje in de tuin met de pootjes omhoog, een
orenkruiper buiten zetten, een snottebel overnemen,

met mijn vingers in bolle wangen prikken of honderd keer mijn
oorbellen in en uit mijn oren halen en door heel

kleine vingertjes laten bewonderen en terug laten hangen, broeken
ophijsen en helpen sokken te verliezen en dan

tellen, tot tien is zoveel leuker als het heel schattige voetjes zijn met
de mooiste teentjes nog, en dan in het donker of op

de weg terug met de ogen dicht bidden dat alles altijd en uiteindelijk
goed komt en blijft, dat vooral.
iemand heeft zich toegang verschaft

Een been dat achterblijft in bed zoals dat zich krult om een
lantaarnpaal en een dansje maakt op straat alvorens

verder te lopen, hinkend op de zwarte strepen van de zebra,
een kind dat wacht tot je komt, tot drie

tellen is bijna al tot honderd of een versje dat je bijna zingen
kunt. Een arm die talmt bij het vertrek of

loodzwaar zwaait, in de mouw van een colbert blijft steken
of rond een hals en de hand maar laat strelen,

bungelen of schudden en dan langer wordt als je eraan trekt,
kom nu mee, een hart dat gespiesd op een hek

achterblijft toebidden van blatende schapen, in een vuilniszak
naast de sloot, honden lokt en andere

toevalligheden, wolken van bewoners die vragen stellen bij
elk teken van bederf maar niets hardop roepen.
hoe hier vroeger paarden renden

Als we allemaal geen vaste plek hebben, zou mevrouw de
Z. vaststellen, dan kunnen we gaan zitten waar

we willen. Dapper knikte ze met haar hoofd en de rest was
over haar heen gevallen, paardenstaart incluis,

de middag verliep in morrende chaos en toch was er na vijf
minuten niets meer aan de hand. Een beetje zoals

die ambulance die per abuis voor dit tehuis stond, een brancard
uit- en weer inlaadde met tien minuten speling

ertussen waarin de groep geprobeerd had te raden wie of er op
die brancard lag. Alles weerspiegelt zich namelijk

in de ruiten van de gang. Later zouden ze zeggen opgesloten
te zijn en dan ook nog afhankelijk van

het richtingsgevoel van de ambulancebroeder. Was het die ene,
probeert mevrouw K., in dat gele jasje?
Geplaatst in Gedichten.