Cees Nooteboom – Afscheid

De grammatica van onteigening

door Johan Reijmerink




Cees Nooteboom schrijft in zijn boek De schrijver als hoofdpersoon: lezen als avontuur (2015) wat poëzie voor hem betekent en waarom hij het niet zonder poëzie kan stellen. Ze valt voor hem met het leven samen, terwijl zij zichzelf in de loop der jaren voor hem veranderd heeft. Hij weet zich sinds zijn debuut als dichter door vele dichters geïnspireerd. Het heeft hem poëzie van diverse toonaarden en klankkleuren opgeleverd: ‘Er zijn ogenblikken dat zij wil ondergaan in haar duisternis, dan weer moet zij schrijven met de scherpte van een etsnaald. Hij vraagt van de poëzie dat ze er is – duister, helder, rationeel, metafysisch, dansend, contemplatief, dat zij spreekt over de wereld waarin hij leeft, de werkelijke, de verzonnen, de vergankelijke, gevaarlijke, mogelijke, onmogelijke, bestaande wereld.’ In zijn nieuwe bundel Afscheid. Gedicht uit de tijd van het virus (2020) ziet Nooteboom zijn herinnering aan het verleden verdiept worden. Deze meditatieve bundel is afgesloten in coronatijd, waarin het ‘afscheid’ een historische, persoonlijke en poëticale betekenis krijgt.

De bundel bestaat uit drie afdelingen van elf gedichten zonder titel. Alle gedichten omvatten drie kwatrijnen met een laatste versregel als ‘zwevend’ slotakkoord. In zijn nawoord vraagt de dichter zich af hoe deze dichtbundel ontstond: ‘Je bent in een tuin begonnen, wat er beschreven wordt zijn mediterrane planten, maar wat er tevoorschijn komt zijn gedachten over de oorlog, beelden uit een ver verleden dat nooit is verdwenen.’ Maar bovenal wordt het de dichter gaandeweg het dichterlijk proces duidelijk dat de gedichten hun eigenzinnige wendingen nemen, waarin de ‘wartaal van denkers’ de kamer in- en uitloopt en ze ‘van hier naar daar’ dwaalt, omhangen door ‘spookgestalten, fantasmata / gesponnen uit boze verhalen’.

We krijgen in de loop van de bundel op allerlei mogelijke manieren te maken met ondervonden zelfverlies, vermeende identiteit en verondersteld eigenaarschap. In een verkort parcours loop ik langs de staties vol beklemmende en openhartige herinneringen. De eerste titelloze afdeling van elf gedichten opent met de man in de wintertuin die zich afvraagt, wat ‘het einde van het einde, wat kon dat zijn?’ In die vraag ligt het begin van een omvangrijke en soms pijnlijke zoektocht naar een verloren tijd: ‘Het leek hem geen enkele vorm van verdriet.’ De dichter voert ons zijn hortus conclusus, zijn innerlijke leefwereld binnen onder loodgrijze wolken naast de ‘ontbladerde vijgenboom / (…) [en] / de [waakzame] ganzen van de buren’, als die van het Capitool. De vraag is even ‘hoe de nacht gecorrigeerd moest worden, / de grammatica van onteigening’: voor mij het kerngegeven van deze bundel. De hij meent dat niemand daarin:

nog zichzelf [is], geen enkele verschijning
terugtocht na de nederlaag
———–
maar geen bestemming.

Daaraan openbaart zich het verlies, de ondergang, de verdwijning die de hij introspectief aan de zich terugtrekkende Duitse soldaten afleest, maar ten diepste ook aan zichzelf: ‘Hij kon zich dat goed herinneren, vernederde ruggen’. ‘Alles voorbij’. De terugtocht van de soldaten doet de hij ook herinneren aan de moeilijk te delen beelden van zijn vader en moeder, hoewel de hij toen nog ‘verborgen’ was voor zichzelf:

——-                                 —-Zijn vader
een man in een smoking op het hek van de
boulevard, zijn moeder naast deze toekomstige
dode, al gehuld in de tijd die ging komen.

Zijn vader werd indertijd dodelijk getroffen bij het bombardement op het Haagse Bezuidenhout. Op de achtergrond daarvan bevindt zich de ondoorgrondelijke zee. Een pijnlijke stilte omringt het huis. Hij hoort stemmen van vroeger: ‘wartaal als wijsheid’.

Nooteboom kiest in de drie afdelingen merendeels voor de derde persoon om meer distantie te kunnen houden tot zichzelf en zijn ‘spookgestalten, fantasmata’. Geregeld ontvouwt zich uit dit hij-perspectief een ik-persoon die de distantie nog eens benadrukt. Het biedt hem meer kans op scherpte en objectivering. De deprimerende beelden worden overwegend door de oorlog ‘betekend’. Ze trekken de hij een onbegrepen wereld binnen. De hij vond zichzelf terug ‘tussen / anderen (…) als een onbekende, // iemand met vleugels, maar zonder / klauwen’. Het dichterschap ontwaakt in hem. De hij raakt in een wereld vol maskerade verzonken in zijn eigen gedachten, met ‘nergens // een plaats’.

In het zesde gedicht treffen we de slapende dichter aan in ‘het uur van de tuinman’. In deze tuin heeft ‘duur’ geen zeggenschap meer. Hier bevindt zich zijn familie van de woorden en beelden, ‘groen en hardnekkig, / nooit bevreesd voor het einde’, terwijl ‘Aan het tuinhek (…) de wereld [jengelt].’ De hij constateert dat dit ‘zijn ‘vreemd domein’ is waar zijn vrienden geen namen hebben. Het ‘gesprek bestaat’ voor hem ‘uit mijn kijken // gezicht als gedicht.’ De hij, verzonken in zijn eigen gedachten, weet zich al vroeg een nauwgezet waarnemer-dichter. Opnieuw springen de hij ‘blijvende beelden’ in de herinnering aan mensen op weg naar het einde met een ‘laatste blik op de wereld’. Kortgeleden was er nog een vriend die overleed en niet meer kon spreken. Het doet de hij beseffen dat de tijd zonder cijfers is geworden: ‘Hoeveel raadsels kun je verdragen?’ Dat was voor hem een afscheid:

en ik begreep het, ik moest
nog reizen en verder, cirkels over de wereld
tot ik weer bij hem zou zijn,

of hij bij mij, een vergeefse belofte.

Uit deze vergeefsheid spreekt voor mij de ‘moderne mysticus’ die nog altijd een verlangen kent naar de spirituele ervaringen uit zijn vroege jeugd. ‘Zomertuin, wintertuin, oorlog / en later’. Hij ziet talloze hoofden langskomen en bezoekt in zijn verbeelding geheime landschappen waar niemand kon komen. De hij ziet zichzelf als de eenzame reiger:

en alleen aan het water
schreef ik op wat ik zag, wat ik hoorde

hoofd voor hoofd.

In de tweede afdeling leunt de man in de wintertuin achterover ‘op zoek naar de maker in het verwarrende / drogbeeld’. Er zit niets anders op dan al deze gruwelijke beelden te verdragen. Nooteboom probeert te achterhalen waar dit alles vandaan komt bij ‘dit dier dat probeerde te denken’. De beelden schuiven bij hem binnen: ‘de droom is een boze // verzinner’. De vraag blijft wie zijn al deze naamloze mensen in deze gewelddadige wereld waarin liefde ontbreekt, en enkel eenzaamheid, melancholie is. De hij bevindt zich op de weg tussen noodlot en lot:

in een landstreek die niemand kent
behalve de eenzame maker
met wie ze niet spreken

omdat niemand hem kent.

Waarom ben ik in dit ‘carnaval // van de angst’ terechtgekomen? Kijk naar de hoofden, het zijn mensen. ‘Waarin past dan de beul, / de bedrieger, de dichter van slechte / verzen?’ Het zijn lessen van ‘het helderste onheil’. ‘Dit is aanschouwelijk drijfzand, / een gedicht van het kwaad’, naar de woorden van Baudelaire. De hij realiseert zich dat als je wilt leven:

Niets (…) hier gratis [is], verzamel

het sterven in al zijn gedaantes,
de pijn, de schreeuw, de gemene
omarming, de kus van het bedachte
verraad.

Hij weet het, ‘voor het einde komt / alles nog een keer voorbij, pas dan mag hij / gaan’. Maar loop er niet voor weg: ‘Blijf bij dit zachte / gezicht van een zomeravond’. Laat alle die gruwelijk beelden niet toe ‘in de slaap // die van jou is.’

In de derde afdeling memoreert Nooteboom aan een afbeelding op een cd met verstilde muziek van György Kurtag waarop een steen staat afgebeeld met twee oren die als reliëf tegenover elkaar staan. Wat is te horen in deze stilte? Uit de ervaring van de hij komen ‘gesloten gestalten’ tevoorschijn: ‘De toon van oneindig verdriet / dat uit slachtoffers opstijgt’ laat zich versluierd horen als ‘een verdorven parlando, // de jurk van het nieuws.’ In de laatste afdeling verplaatst het perspectief zich wat meer van de hij- naar de ik-persoon, omdat het persoonlijk en poëticaal afscheid aanstaande is. De aarde laat zich aan hem horen om het onmetelijke verdriet ‘te vermalen’ en de beloofde toekomst, terwijl de tijd doorliep, te zien wijken. Achter verdriet gaat voor de hij wat in een oogopslag is verzameld aan rouw en extase op, want:

ogenblikken
van liefde en vriendschap, [zijn als] een knikker

vol kleuren die langzaam wegrolt
tot over de rand van de speelplaats
waar niets wordt bewaard, alles ooit
samen een leven.

De hij vraagt zich af:

Wat had je willen

bewaren? Een geluid van een stem,
de herinnering van een schouder, een
hand, de kleur van haar ogen, de geur,
van een lichaam, voor altijd

vervlogen?

De hij begeeft zich op de langste weg: ‘de weg / die nergens heen gaat.’ Hij bevindt zich in een leeg landschap waarin anderen onderweg afscheid van hem nemen. ‘Ze keken niet om, ze / kenden hun doel, ze trokken rechte lijnen // in de leegte.’ Ze bleven in zijn gedachten: ‘De tegenspraak / hangt om mij heen, (…) / (…) een lied // waarvan het geluid is verzegeld’. De ik is al bijna niet meer aanwezig: ‘ik heb alleen nog / het licht dat naast me // beweegt.’ Zelfs de vogel verdwijnt uit beeld: ‘Hij vliegt over wat van de / weg nog zichtbaar is.’ Er rest nog een laatste herinnering aan zee en aan / water, aan ooit mijn tehuis.’ Het licht omcirkelt deze stoet van beelden vanaf het begin. De ik voelt zich als uit water geboren: een waterwezen, en door sterrenzaad uitgestrooid, wat me doet herinneren aan het sprookje Le petit prince van Antoine de Saint-Exupéry: ’Alleen met het hart kun je goed zien. Het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar.’ We zijn rechtop lopende wezens die ‘van hun oorsprong vervreemd, vreemdelingen die denken / en daar de prijs voor betalen.’ We laten bekenden achter ons in hun onschuld. De ik voelt langzamerhand de weg in zijn voeten. Hij weet dat hij niet mag omkijken zoals Orpheus op weg naar zijn verlossing: ‘Mijn stappen meten de tijd / een donker gedicht zonder weerga.’ Nog altijd vliegt er die vogel die deed alsof hij meevloog, ‘hij kende mijn weg.’ Zovele wegen heeft de ik gelopen:

altijd op zoek naar iets
dat verder moest liggen, dat als ik het
eindelijk zag verdween als een drogbeeld

of verscheen als gedicht.

Een laatste gestalte richt zich voor de ik op. Een zij, ‘de enige / van mijn bestaan.’ ‘Met haar / verdwijnen de woorden / van wie ik was / het laatste deel // van de weg.’ De stilte is ingetreden. Blind loop ik verder. ‘Hier moet het zijn,/ hier neem ik afscheid van mijn zelf / en word dan langzaam // niemand’: het uiterste moment van grammaticale onteigening. Nooteboom heeft zich in deze bundel meer van zijn scherpsnijdende etsnaald dan van de verhullende duisternis bediend. Hij heeft ons een fijnzinnig beeld van zijn spiritueel dichterschap gesneden.
____

Cees Nooteboom (2020) Afscheid. Koppernik, 47 blz. € 17,00. ISBN 9789083048062

Geplaatst in Recensies.