Levina van Winden – Er is een band die rapemachine heet

Less is more

door Ivan Sacharov




‘Stilleven’ vind ik een prachtig woord. Levina van de Winden begint haar debuutbundel Er is een band die rapemachine heet met dit gedicht:

STILLEVEN

Michelangelo bevrijdde David uit een afgedankt blok marmer.
Dat geeft moed.

De hysterica universalis slijpt de messen
Haar taal is een blok kaas
Zij zoekt naar iets van waarde tussen de kussens van de bank,
—— —vindt een kwartgulden
en een schare kattenharen
Volgens de dichter is dit poëzie
Volgens de hysterica universalis zijn dit kattenharen
en omgerekend zestien eurocent.

Ze danst door de kamer met het natte douchegordijn
Druppels kaas verdampen op de vloer
De dichter vindt dit gebakken lucht
De hysterica vindt het romantiek
U gaat op zoek naar het verschil tussen de kussens van de bank
en vindt een condoomverpakking die u niet durft aan te raken.

Alle condoomverpakkingen zijn mythische wezens
Gebruikte condooms zijn de ultieme stillevens

U trekt de kussens recht.

De eerste strofe heeft misschien meer inhoud dan een vluchtige blik doet vermoeden: een korte samenvatting van wat er verder in de bundel volgt? Een premisse? Een ‘afgedankt blok marmer’ is wel een minimum, een soort ‘ground zero’ van waaruit dingen eigenlijk alleen maar beter kunnen worden. ‘No more fear of flying’, zong Gary Brooker ooit. En dan komt uit dat blok ook nog een David tevoorschijn… Ja, dat geeft moed. Want David versloeg Goliath. Een dwerg versloeg een reus. Een mooi motto: een underdog die dat niet meer wil zijn.
Hysterica universalis doet aan homo universalis denken. Een geniale man als Leonardo da Vinci bijvoorbeeld. En nu ik erover begin: de term homo universalis roept in mijn hoofd inderdaad het beeld van een man op (mijn vooroordelen zijn authentiek). Maar de toevoeging ‘hysterica’ zet dat op losse schroeven: het gaat opeens niet meer om een universele mens, maar om een universele vrouw. En dat nog toegespitst op een hysterica. Freud zou er zich serieus in kunnen vinden, maar op mij maakt het een komische indruk: een vrouw die zichzelf op de hak neemt en tegelijkertijd een beetje de geijkte terminologie (van een mannenwereld?) in frage stelt.

Ze slijpt de messen, de hysterica: ze maakt zich klaar voor een strijd, of misschien voor een daad van bevestiging. ‘Haar taal is een blok kaas’: ja, vrouwen houden zich zelfs in hun poëzie met eten bezig… Rol bevestigend? Welnee. Kaas kan nog vorm krijgen, net zoals poëzie uit taal gesneden kan worden, en een David uit een (afgedankt) blok marmer. Kaas is leuk.

Ze zoekt naar iets, de hysterica. Maar of ze dat ook vindt blijft in het midden. Hierna volgen enkele regels waarin wordt ingegaan op het verschil tussen ‘de dichter’ en ‘de hysterica’. De dichter vindt ‘dit’ en de hysterica ‘dat’. Maar het wordt niet helemaal duidelijk of het om twee personen, of eigenlijk toch maar om één gaat. Na een dansje met een nat douchegordijn, komt er plotseling een ‘u’ op de proppen… Wordt de lezer hier direct aangesproken? Of gaat het om een tweede (of derde) persoon in de beschreven kamer? Het verschil tussen de hysterica en de dichter lijkt te zitten in de condoomverpakking, die de ‘u’ niet durft aan te raken. Het is haast of het bij die condoomverpakking om een gedicht gaat! Wie durft er een gedicht aan te raken? Niet veel mensen, vrees ik. En dit klopt dan vrij aardig met het idee dat taal ook een soort ‘verpakking’ is. De dichter verpakt e.e.a. op een andere manier dan de hysterica. En ook gedichten kunnen als ‘mythische wezens’ worden gezien (eigenlijk als: ‘in wezen mythisch’, maar een kniesoor die daarop let; condoomverpakkingen zijn mogelijk mythische wezens omdat ze ons doen geloven dat er daden bestaan zonder gevolgen).
Gebruikte condooms zijn de ultieme stillevens, uiteraard: het zaad dat erin zit is ‘in de knop gebroken’. Een mix van leven en dood dus: zoals het hoort bij stillevens. Maar wat zegt dit vergelijkenderwijs over gedichten? Als condoomverpakkingen gedichten zijn, wat zijn dan de condooms zelf? De betekenissen die in de gedichten gelezen kunnen worden? Denkbeelden die tussen ons en een direct contact met de realiteit staan? En een gebruikt condoom? Is dat een betekenis die versleten is, die een cliché is geworden? Het cliché als het ultieme stilleven! Interessant. Inderdaad. Maar dit volstaat: tijd om de kussens recht te trekken, zoals de dichter het zegt.

Wie zich afvraagt of mijn interpretatie wel hout snijdt en of de dichter dit allemaal wel zo bedoeld heeft, kan ik een kort antwoord geven: géén idee! Eigenlijk, moet ik eerlijk bekennen, vind ik dat ook niet zó van belang. In tegenstelling tot een hoge hoed kan men uit een gedicht namelijk wél iets halen wat er niet (bewust) is ingestopt. Een gedicht laat zich heel goed vergelijken met een wolk die een fraaie vorm heeft, maar zelf niet weet wat hij voorstelt. En natuurlijk: uit een vliegtuig ziet die wolk er heel anders uit dan vanaf de grond. De schepper kan van alles bedoeld hebben, maar wij zien het zoals wij het zien. Daarbij komt nog dat de dichter in 1994 is geboren en tot een andere generatie behoort dan ik. Wat zeggen mij haar problemen? Wat boeit het mij wat zij bedoelt met haar poëzie? Er bestaat altijd een kloof tussen de verschillende interesses van mensen. Maar in goede poëzie moet – meen ik – iets te vinden zijn dat die kloof overbrugt.

Ik zigzag verder door de bundel Er is een band die rapemachine heet. De bundeltitel doet sterk denken aan een sprookje: Repelsteeltje. Daarin komt een rijmpje voor: ‘niemand weet, niemand weet, dat ik Repelsteeltje heet’. Repelsteeltje is een naam die moet worden geraden om het sprookje goed af te laten lopen. De associatie lijkt opzettelijk. Maar om wat voor ‘band’ gaat het in de bundeltitel? Eén die (te) ruige muziek maakt? Een relatie? Er staat een gedicht in de bundel dat dezelfde titel draagt als de bundel. Het is te lang om hier te citeren, maar het heeft iets mistroostigs. Alsof het leven niet altijd oplevert wat ervan wordt verwacht. Dat suggereert een wat ‘saaiere’ betekenis. Gaat het soms om een ‘lopende band’? Dan staat de rapemachine misschien voor het leven zelf, dat ‘aan de lopende band’ illusies verkracht! Illusies die (net als condooms) een gevoel van veiligheid geven, maar waar het leven uiteindelijk doorheen prikt. Illusies ook waarvan we kunnen leren. Dit levert een link op met het sprookje. Het kennen (doorzien) van de illusies zal ons vrijmaken en (hopelijk) nog lang en gelukkig laten leven.

Tot zover de bundeltitel. Bij het zigzaggen kom ik hier en daar leuke regels tegen, zoals bijvoorbeeld: ‘op onze jonge roze wangen / blijven onze tranen warm’, en: ‘je doet zo hard je best te accepteren / dat dit heus jouw schuld niet is’. Terloops valt me op dat van de vier hoofdstukken er eentje een beetje afwijkt. Geen ‘DEEL 3’, maar ‘INTERMEZZO’ als titel. Mede door haar verwijzing naar de zesde van Tsjaikovski in het gedicht ‘Opium’ zou ik haast gaan denken dat de dichter een voorliefde voor muzikale vormen heeft. Vier hoofdstukken: vier delen van een symfonie; met een intermezzo als scherzo! Maar dat is voor de kwaliteit van de poëzie niet per se belangrijk. Wat dan wel? Ja, een goede mix tussen aan- en afwezigheid van taal misschien. Een poëtisch moment beleefde ik door de twee (opzettelijk) leeg gelaten bladzijden in het intermezzo, na de volgende regels, een bladzijde eerder:

IV.

Dat de kamer had gedraaid en dat ik slecht was gegaan op zijn freejazz
Dat ik zonder benen zweefde en de zwaartekracht kon voelen
Dat ik mijn lelijkste beige onderbroek droeg en me schaamde
Dat ik niet meer kon bewegen

Dat hij me toen

Poëtische momenten kunnen heel goed samenvallen met gevoelsmatige dieptepunten (mogelijk eerder regel dan uitzondering). En grappig: de freejazz (in de eerste regel) komt ook in het gedicht ‘Opium’ voor, waarin de dichter haar eerste ‘overmanning’ aanhaalt (ook al op een niet al te positieve manier). Gaat het om dezelfde ervaring? Of is freejazz een algemene metafoor voor iets dat vrij en improviserend begint, maar meestal veel te gauw in hopeloos geklungel eindigt?
Ik snuffel verder. De dichter heeft wijsbegeerte gestudeerd. Twee gedichten hinten daarop: ‘Hoe ik Nietzsche aan mijn ouders uitleg’ in DEEL 1, en ‘Hoe ik Nietzsche aan mijn vrienden uitleg’ in DEEL 4. Is er een verband tussen hysterie en nihilisme, vraag ik me af. Is jezelf loskoppelen van een godsbeeld (een condoom dus!) en jezelf daarna ergens anders aan vastklampen een oplossing? Een oplossing waarvoor? In het laatste gedicht van de bundel: ‘Laat alleen dit lied niet los’, lijkt de dichter een appel te doen op de lezer. Het begint met de regels:

De nihilisten zijn erover uit. God bestaat. Wij zijn het. Liefde dekt de lading niet. Ik kietel je ionen
graag. We gaan roder dan rood en geler dan goud. Ze noemen maart de guldenmaand en in mijn
hoofd hoor ik de magnolia bloeien en ja ik wil ik wil ik wil.
(…)
Liefde is hetzelfde als kunst en het kunstwerk is de hoogste vorm van het gevecht.
(…)
Jezus Christus wat houd ik van je. Ik gebruik zijn naam niet luchtig en toch – lucht en leegte, alles is
leegte. Behalve dit. Behalve wij. Behalve de wind die stemmen van onze revolte steeds verder zal
voeren.

Dit zijn fragmenten. Ik citeer liever een geheel, maar dat kan in dit bestek niet. En eigenlijk sluit het wel heel goed aan bij wat mij – buiten al het relationele gehannes – (min of meer) de point lijkt van deze bundel: less is more (letterlijk bij een blok marmer)! Haast een stilleven.
____

Levina van Winden (2020). Er is een band die rapemachine heet. Atlas Contact, 72 blz. € 19,99 ISBN 9789025457549

Geplaatst in Recensies.