Maria do Rosário Pedreira – Scherven

Passie uit Portugal

door Janine Jongsma




De Portugese Maria do Rosário Pedreira (1959) heeft in haar thuisland inmiddels vier bundels op haar naam staan. Hieruit zijn gedichten gekozen voor de bundel Scherven die door Harrie Lemmens zijn vertaald. In de bundel worden eerst de Portugese gedichten weergegeven en dan volgt de Nederlandse vertaling. Ik ben niet bekend met de Portugese taal, maar de vertaler is dat wel degelijk dus ik vertrouw op hem en richt mij enkel op de Nederlandse gedichten.

In het nawoord van Lemmens maken we kennis met de dichter die een bekendheid is in de uitgeverswereld van Portugal omdat ze een leidinggevende functie heeft bij een van de grootste boekenconcerns. Ze is dus een lezer van beroep en een schrijver daarnaast mag je concluderen. Die combinatie heeft haar geen windeieren gelegd. Als schrijver heeft ze succes met haar jeugdboeken, liedteksten en dichtbundels. Lemmens omschrijft haar poëzie als: ‘Trage vluchtigheid, het klinkt tegenstrijdig, maar misschien is dat het wat haar werk typeert. Tegelijk helder en ook mysterieus, omdat veel onuitgesproken blijft’.

De bundel is niet onderverdeeld in afdelingen en de gedichten hebben geen titels. Bij deze bundel mis ik dit in het totaal niet. De gedichten gaan uiteraard over de liefde, het aardse en het zinnelijke, Portugezen staan immers bekend om hun hartstochtelijke natuur, maar de dood is ook aanwezig. Het speelt zich allemaal af rondom het huis, het strand en de zee, en er is een grote rol weggelegd voor de wind. Zodoende is het één lange afdeling met Scherven als titel. Datgene wat overblijft, lees ik daarin. De gedichten van Do Rosário Pedreira hebben een verhalend karakter waarin de poëzie soms opspat als fris water. Ze trekt je mee in het gevoel van weemoed oftewel saudade in het Portugees:

De wind hier drijft de geur van het strand tot aan het huis.
De sterren dalen zacht neer op de daken; soms vallen ze en laten
zo de honden schrikken, die blaffen en ons ‘s nachts wakker maken
in plaats van de dromen. De dagen tellen meer uren, ik weet niet waarom.

Het brood is ‘s morgens warm en je proeft het hout van de oven.
We eten zwijgend boven een blauw geblokt tafellaken.
Het serviesgoed is schoon, het water lest elke dorst, de vis ademt
tot hij in de pan gaat. En de dagen tellen meer uren, ik weet niet waarom.

Ik werd van ver hierheen gebracht om jou te vergeten,
vertederd te worden door de kinderen van de buren die als
makke katten langs je benen strijken en onophoudelijk vragen
stellen; om getroost te worden door de geur van
aardewerk en verse melk die in de keukens hangt; om te leren van
de zee, die aan het eind van de middag algen komt stelen
van de rotsen, opdat die ze voorgoed vergeten.
Maar tevergeefs. Er zitten zoveel uren in deze dagen…

Als lezer zit je aan die tafel met blauw geblokt tafellaken en zie je de levende vis in de sissende pan gaan. Je voelt hoe lang de dagen duren en het verdriet om iemand die je moet vergeten. ‘(…) de kinderen van de buren die als makke katten langs je benen strijken (…)’ vind ik zo’n zin die als fris water opspat in dit gedicht en klinkt alsof hij niet anders geschreven had kunnen zijn.

Door de hele bundel heen lezen we van dit soort ongekunstelde zinnen. Een paar voorbeelden: ‘Geen enkel gedicht kan de grond zijn onder haar huis’. En: ‘Vandaag mag je steden verscheuren op de landkaart van mijn lijf (…)’. Of: ‘Als ik later vannacht naast jou / in slaap val, weet ik dat haar ogen / ijzig koud op mijn oogleden zullen / rusten (…)’. Of: ‘Ik heb de tijd op je naam laten vallen (…)’. En: (…) Ik heb me / in rouw gehuld, zoals vrouwen die lege wiegen / vernielen door er te veel naar te kijken (…)’. Als laatste: ‘Jouw dood was als een spiegel die stukvalt tegen de zomer (…)’. Het zijn stuk voor stuk aansprekende en originele beelden. Vertaler Lemmens verstaat zijn vak; het Nederlands komt natuurlijk over.

Als Portugese weet Do Rosário Pedreira alles van het zinnelijke, het zit in haar genen:

Over de zomer zou ik zeggen een trage, haast gele vlakte: het koren
dat zich oprolt aan je voeten, het goud van de zon, de haren
lichter blond. Een warme, golven wind die door de kieren
van een hooizolder giert. De slaperige rook van de hitte die
de draad van de horizon vormeloos maakt. Over de zomer

zou ik verder zeggen een dichte tijd waar elke vorm van
toeval verdraaglijk is: twee bloedrode klaprozen winden
het landschap op. Jij komt en mijn huid noemt je zachtjes
bij zeven namen. Het is het middaglicht dat glans verleent
aan het hooi en de kleren verhit die het lichaam verlaten hebben
zonder vragen te stellen. Onze handen kunnen elkaar dan
alle berichten geven. En morgen weet niemand ervan. Alles

wat overblijft is een handvol geknakte aren op de trage
vlakte; geel, zeg ik: de klaprozen zijn intussen verwaaid.

Een mooi voorbeeld hoe de dichter ‘trage vluchtigheid’ concreet weet te maken. De traagheid wordt in de eerste strofe opgeroepen door een warme lome zomer met ‘een trage, haast gele vlakte’. De ‘dichte tijd’, niet doorheen te komen, waar ieder toeval niet eens zo zeer welkom is, maar dragelijk omdat het enkel dient om de tijd te doden. De vluchtigheid zit in het toeval van twee klaprozen die het landschap opwinden als metafoor voor twee mensen die ongecompliceerd vrijen zonder er woorden aan vuil te maken. Het dubbelzinnige ‘Jij komt’ en haar huid die de ander bij ‘zeven namen’ noemt. Zij kent de ander amper, maar haar huid herinnert zich geluksmomenten met eerdere geliefden. Gepraat wordt er niet, alleen geliefkoosd. Hoe vluchtig het was lezen we in de laatste zin: ‘(…) de klaprozen zijn intussen verwaaid’. De twee mensen zijn alweer ieder hun eigen weg gegaan zonder om te kijken.

Een warme bundel vol met passie!
____

Maria do Rosário Pedreira (2020). Scherven. Koppernik, 84 blz. € 19,50 ISBN 9789492313959

Geplaatst in Recensies.