Remko Koplamp – De held van Labbertong

Het strakste maatpak van de poëzie

door Inge Boulonois




Door de Vijftigers kwam de op traditionele leest geschoeide dichtkunst in negatief daglicht te staan. De schilderkunst had eerder een ontwikkeling doorgemaakt van figuratief naar abstract, -ismen als futurisme, expressionisme, kubisme floreerden en, zoals dat meestal gaat, volgde de poëzie in haar kielzog. De oude stilistiek van gebonden gedichten moest op de schop: weg met regelmatige strofebouw, metrum en eindrijm. Vooral dat laatste kreeg een belabberde reputatie. Er werd met dedain naar gekeken, alsof een verbod op rijm niet net zo goed van onvrijheid getuigt als een verplichting tot rijm.

De eeuwenoude, formele conventies lieten zich slechts tijdelijk wegcijferen. Anno nu praktiseren dichters naast vrije weer gebonden verzen, niet in de laatste plaats bij het genre van light verse. De herleving van gebonden poëzie voorkomt verdere verarming op de Parnas en onderstreept de ontwikkeling van een vruchtbare en waardevolle traditie.

Remko Koplamp schrijft uitsluitend gebonden poëzie en is een bekende in het lightversecircuit. Voor Meander interviewde ik hem vorig jaar n.a.v. het winnen van de Willem Wilmink Dichtwedstrijd. De verschijning van De held van Labbertong werd er al in aangekondigd. Na Ollekebolleke Bridge, Back to the sixties en All inclusive vormt dit zijn vierde bundel.

Koplamp is een bijzondere eend in de poëtische bijt. Zoals dichters van vrije verzen experimenteren met klankbeelden, typografische, visuele en bewegende elementen, zo verkent hij de grenzen van de vorm door de eisen waar deze aan moet voldoen nog eens extra aan te trekken. Hoe ver kan een dichter gaan, zonder dat dit ten koste gaat van inhoud gaat, zonder dat een geestige, interessante en niet te vergeten de semantische logica verdwijnt, vroeg ik mij af. Zo experimenteert hij met het ollekebolleke door het monovocaal te maken, een drastische ingreep met een logisch klinkend resultaat.

Even een weet, mensen
Henk z’n teevee-setje
Kreeg slechts twee zenders
Net 2 en Net 1

Eén ferme veeg met het
Rechterbenedenbeen
Stemde tevreden
Net 7 verscheen

Koplamp borduurt hiermee voort op het in de jaren tachtig populaire boekwerk Opperlandse taal- & letterkunde (1981) van Battus, een van de pseudoniemen van Hugo Brandt Corstius. Hij werkte als universitair docent semantiek en computerlinguistiek, een unieke combinatie van alfa en bèta die tot fascinerende originaliteit leidde. Voor zijn gehele oeuvre ontving hij in 1987 de P.C. Hooft-prijs. Volgens Battus was Opperlan(d)s ‘Nederlands met vakantie, Nederlands zonder het akelige nut dat aan die taal nu eenmaal kleeft’. Voor de geïnteresseerde lezers: het boek staat integraal op de dbnl .) Battus was trouwens niet de eerste die monovocale teksten schreef. In 1879 kwam A-saga, E-legende, O-sprook uit, door drie heren geschreven, waaronder niemand minder dan Jacob van Lennep. Letterkundige Bas Jongenelen las daaruit voor op Neerlandistiek .

Nu is de e de klinker die het meest frequent in onze taal voorkomt, dus is een ‘ellekebelleke’ relatief makkelijk te fabriceren. Koplamp gaat die uitdaging echter ook aan met de a, de i, de o en zelfs de u. Wat mij betreft valt alleen de laatste poging ‘uit de toon’. Ronduit bewonderenswaardig dat het ‘ullukubulluku’ nog een logische inhoud bevat, maar het geheel doet m.i. erg gekunsteld aan door het onoverkomelijk gebruik van (plaats)namen als Brutus, Rufus, Brunssum. Overigens kwam de geniale Battus bij deze klinker niet verder dan vier luttele, metrumloze regeltjes van vier lettergrepen.

Een andere door Koplamp met succes gevoerde schriftelijke worsteling is het pangrambolleke. De titel ‘Van A naar Z’ verraadt welke uiterst rigide regel de dichter zichzelf heeft opgelegd. (Voor de minder in deze materie ingewijde lezer: achterin de bundel worden de diverse vormen toegelicht.)

Afzien bij colletjes
Drink een fles gerstenat
Hier in je klim
Lult men niet over pijn

Quasi relaxed stoempt ‘t
Ultracyclistenteam
Voorwaarts waar X-benen
Yoghurtrijk zijn

Ook een hoogstandje is de ollekebollekekrans, i.e. een ingenieus in elkaar gevlochten reeks waarin het laatste, zevende vers bestaat uit de befaamde regel-zes-woorden van de voorgaande ollekebollekes. Helemaal te gek zijn het palindroomgedicht (van achter naar voor te lezen) en het anagramvers (alle regels vormen anagrammen van elkaar), curieuze stuntvormen die op zich al de aanschaf van de bundel waard zijn.

Naast talrijke ollekebollekes bevat de bundel een respectabel aantal lobbertangen, grabbeltonnen en notlebbargen, vorminventies van Drs. P, van wie in 2001 een bundel met zulke verzen uitkwam, getiteld Grabbelton. De grabbelton is pentametisch, telt minmaal vijf regels, eindrijmschema abaab (a vrouwelijk, b mannelijk rijm), bovendien bevat het laatste rijmwoord alle letters die in de voorgaande rijmwoorden optreden. De lobbertang is een grabbelton waarin het eerste rijmwoord een anagram van het laatste vormt.

De titel van de bundel, De held van Labbertong, verwijst naar een reeks van elf sonnetten, waarvan het merendeel uit lobbertangen bestaat. Veertienregelig dus! De serie schetst het verhaal van de voetballer die in feestelijke kleuren het voorplat siert. De held is lid van F.C. Labbertong, heet toevallig ook Remko en bezit, zoals je van lightversedichters mag verwachten, een lichte tred. Aan de inhoud van deze sonnettenreeks zijn de formele eisen niet af te lezen; ze doen verre van artificieel aan. Het eerste van de kostelijke reeks: ‘De held van Labbertong I’.

Dat zij na een minuut of twee al achterstonden
Door onbenullig vrije ruimte te doneren
Leek vooralsnog het clubje eens zo jonge honden
Van F.C. Labbertong niet in het minst te deren

Toen hun rivaal al rap de tweede liet noteren
En ook de derde viel in luttele seconden
Werd luid gescholden op de bloedeloze heren
Die het vertrouwen van de eigen aanhang schonden

Op de tribune zong men zich de kelen schor
Men smeekte om een changement van het decor
En ja, daar was hij, Remko, met zijn lichte tred

Hij sloopte vier keer de defensie van die ‘ratten’
Zie daar, het wonder van een droom in het sonnet
Je mag de kracht van een poëet niet onderschatten

De notlebbarg is een lobbertang waarin het eerste rijmwoord een palindroom van het laatste vormt. Drs. P waarschuwt in de toelichting van Grabbelton dat de notlebbarg de moeilijkste vorm is van het drietal; in zijn bundel staan er dan ook maar twee. Koplamp zet er elf tegenover. Niet alleen zijn ze qua vorm onberispelijk: de inhoud is light verse zoals het moet zijn.

Suikeroompje

Al was hij protestants of rooms
Een Hindoe, Arabier of Moor
Geen punt! Zij straalt van oor tot oor
Naast Piet, de jongste van mijn ooms
Vooral zijn platvink maakt haar smoor

Wat Koplamp doet is spelen met en exploreren van taal. Het zal vaak een zwoegen zijn geweest onder die aangehaalde teugels, want al zie je dat niet altijd van de gedichten af: de vorm drukt een zware stempel op de inhoud. In deze recensie ligt derhalve het zwaartepunt ook op de vorm. Naast de extra strakke teugels houdt hij evengoed de traditionele vormvoorschriften in acht terwijl de inhoud begrijpelijk én geestig blijft.

De held van Labbertong blaakt van aanstekelijke, Zonderlandse taalacrobatiek. Koplamp schreef een intrigerende bundel voor lezers die wel eens wat anders willen dan dolen door de megadomeinen van vrije verzen, onderwijl naarstig zoekend naar betekenis. Wat meer licht daarbij zou welkom zijn.

Als afsluiter nog een notlebbarg: ‘De- doe-het-zelver’. Het lijkt te zeggen: ergens aan beginnen is één, maar het werk volbrengen, is niet voor iedereen weggelegd.

Oom Willem mat wellicht te krap
Hij zuchtte, jongens, dit is pet!
Het is de hoogste tijd; ik kap
Want telkens onderaan de trap
Kom ik niet uit met het parket

____

Remko Koplamp 2020. De held van Labbertong en andere letterkundige verzen. Brave New Books, 56 blz. € 12,75 ISBN 9789464050677

Geplaatst in Recensies.