“Weten in welk genre zowel je hart als je kracht ligt”

Remko Koplamp (Den Haag, 1953), pseudoniem van Johannes Adrianus Vrolijk, woont in Spijkenisse. Hij schrijft light verses over allerhande onderwerpen in verschillende vaste versvormen. Vaak kiest hij voor het ollekebolleke, een door Drs. P in ons land geïntroduceerde versvorm, waarvan hij pictobollekes maakt, ook wel balloonbollekes genoemd omdat de regels in tekstwolken op foto’s van schilderijen zijn gezet.
Koplamp is medewerker van Het Vrije Vers , het door dichter Quirien van Haelen opgerichte portaal voor light verse dat dit jaar zijn tinnen jubileum viert. Van Koplamps hand verschenen bij MijnBestseller drie met afbeeldingen verluchte bundels: Ollekebolleke Bridge (2014), Back to the sixties (2015) en All inclusive (2016). Bij Uitgeverij Liverse staat De held van Labbertong gepland, een bundel met heel bijzondere versvormen.

Inge Boulonois ging in gesprek met hem.

foto: Anneke Haasnoot

 

In maart sleepte je met Bij Claudia de eerste prijs in de wacht bij de Willem Wilmink Dichtwedstrijd, een wedstrijd die sinds 1997 jaarlijks wordt uitgeschreven ter ere van dichter en schrijver Willem Wilmink (1936-2003). Nog van harte gefeliciteerd, Remko, met deze prijs! Kun je ons iets over deze prijs en de uitreiking vertellen?
Ik zond vorig jaar voor het eerst in en was zeer verheugd dat ik bij de eerste tien genomineerden hoorde. Ik werd uiteindelijk achtste. Dit jaar werd ik dus tot winnaar uitgeroepen maar wat het evenzeer uniek maakte, was dat ook mijn eega (Anneke Haasnoot) bij de eerste tien genomineerden zat. Zij werd uiteindelijk zevende. Het programma in Almelo, met voor de pauze voordrachten van Jean Pierre Rawie, Jan Boerstoel, Jan J. Pieterse, Ivo de Wijs en gastdichter Theo Danes en na de pauze de zenuwslopende prijsuitreiking (de genomineerde dichters worden van plek 10 naar plek 1 uitgenodigd om hun gedicht voor te dragen) was, net zoals het jaar ervoor, weer een hele belevenis. Volgend jaar kan ik niet meer meedingen naar de Willem Wilmink-prijs maar ben ik uitgenodigd om mee te doen aan de jurering.

 

Bij Claudia

Ik wist niet wat me nog te wachten stond
Toen ik na heel wat schroom en aarzeling
Voor ’t eerst bij Claudia naar binnen ging
Gelukkig bleek mijn bangheid ongegrond

Ik gaf mij over aan haar vaardigheid
Voelde haar vingers strijken langs mijn nek
En door het laken heen haar warme plek
Ik deed mijn ogen dicht, vergat de tijd

Totdat ik opschrok uit mijn dromerij
Met rood gekleurde konen gaf ik traag
Ietwat bedeesd nog, antwoord op haar vraag
,,Wat korter graag, de oren mogen vrij’’

De oudste verzen die ik op internet van jou kon vinden, dateren van 2011. Ben je lang voor die tijd met dichten begonnen? En hoe kwam je ertoe?
In 2011 ben ik begonnen onder mijn huidige pseudoniem te schrijven. Daarvoor schreef ik een aantal jaren onder mijn eigen naam. Min of meer door Anneke aangestoken met het dichtvirus volgde ik eind jaren negentig een cursus Gedichten Schrijven bij het L.O.I. Mijn docent daar was toen Jos Versteegen. Ik geloof dat ik al meteen bij een van mijn allereerste inzendingen een foutloos ollekebolleke wist te produceren dat ook hogelijk werd gewaardeerd. (Dat moet vast toeval zijn geweest.). In ieder geval waren toen mijn eerste schreden op het light verse-gebied gezet.

Je schreef drie bundels met humoristische en technisch perfecte ollekebollekes. Wat maakt dat je deze versvorm zo aantrekkelijk vindt?
Het ollekebolleke is een van de leukste versvormen die ik ken. Het heeft een heerlijke cadans (de dactylus) en in slechts acht regeltjes moet je proberen je verhaal(tje) te vertellen met liefst een leuke pointe aan het slot. In het oog springt natuurlijk regel zes die slechts één woord (een dubbele dactylus) van zes lettergrepen dient te bevatten met de hoofdklemtoon op de vierde lettergreep. Het maken is soms een kwestie van goed nadenken en veel passen en meten maar een geslaagd exemplaar geeft je vaak veel voldoening. Niet in de laatste plaats omdat je weet dat veel andere dichters het je niet na kunnen doen.

 

Adembenemend (bij een foto waarop een vrouw iemand kust)

Machtig mooi ogenblik
Kort na mijn hartstilstand
Vond zij mijn lippen
Zij deed het perfect

Wie wil nu niet door zo’n
Reanimeermeisje
Vol op de mond
Weer tot leven gewekt

uit: All inclusive (2016)

Een van de tips van de Vlaamse dichter en schrijver Tom Lanoye voor mensen met poëtische aspiraties, luidt: probeer alle genres, zonder dedain. Hoe denk jij daar over?
Dat lijkt me, vooral in het begin van een schrijverschap, zeker geen slechte tip. Maar op een gegeven moment weet je heel goed in welk genre zowel je hart als ook je kracht ligt. Die wetenschap moet je wel proberen uit te buiten al zijn er ook dichters, ik denk nu b.v. aan Gerrit Komrij, die in alle genres zouden kunnen uitblinken.

Je bent een van de dichters van Het Vrije Vers. (Deze naam is bedoeld als provocatie naar de vrije poëzie en leidt nogal eens tot misverstanden: de site is primair voor gebonden verzen opgericht.) Het Vrije Vers heeft een forum waar de dichters nieuw werk plaatsen en dat van elkaar becommentariëren. Bovendien is er een schat aan beschreven versvormen te vinden, daar verzameld door Quirien van Haelen en de huidige roerganger Jaap van den Born. Wat voor rol heeft Het Vrije Vers voor jouw gedichten gespeeld?
Zoals eerder gezegd ben ik in 2011 begonnen onder de naam van Remko Koplamp. Dat jaar heb ik me ook aangemeld als forumlid op Het Vrije Vers. De (soms verhitte) discussies die daar op het Forum gevoerd werden, hebben me vooral de eerste jaren geleerd nog kritischer te leren kijken naar mijn eigen werk. Ook de kruisbestuiving tussen de zich daar verzamelde bekwame light verse-dichters werkt zeer inspirerend en schroeft bovendien de kwaliteit behoorlijk omhoog.

Ik ben zeer nieuwsgierig naar je bundel met speciale versvormen. Een van die bijzondere vormen is de lobbertang. In De tweede ronde uit 1993 stond een interview met Drs. P. Ik citeer hem: ‘Sterk af te raden wegens zijn moeilijkheidsgraad en vrijheidsbeperking is de ‘lobbertang’…die voorschrijft dat het eerste rijmwoord een anagram is van het laatste, en voor het overige identiek is aan de grabbelton.’ Kun je in het kort de vorm van een lobbertang beschrijven? Waarom koos je voor je nieuwe bundel zo’n hondsmoeilijke vorm?
De door Drs. P bedachte versvorm lobbertang is in principe een vijfregelig versje (pentameter, abaab; a vrouwelijk, b mannelijk) waarin het eerste rijmwoord een anagram van het laatste is. Alle overige rijmwoorden mogen slechts letters uit dat eerste (of laatste) rijmwoord bevatten. In de inleiding van zijn boekje ‘Grabbelton’ schrijft de Drs. dat er geen beletsel bestaat om, gebaseerd op lange woorden, meer dan vijf regels in een tekst te verwerken. Dit kan de inhoud ten goede komen. De in mijn bundel op te nemen lobbertangen zijn dan ook vervat in sonnetten. Je hebt dan weliswaar meer rijmwoorden te vervaardigen uit de beschikbare hoeveelheid letters uit het eerste (of laatste) rijmwoord, maar het verschaft je wel eerder de kans om in veertien regels van A naar B tot een goed en vooral logisch verhaal te komen.

Met name de vrijheidsbeperking in het creatieproces spreekt me aan. Een op het eerste gezicht bijna onmogelijke opdracht tot een goed einde weten te brengen. Voor ik begon met het schrijven van gedichten was ik al veel langer geboeid door het spelen met taal. Mijn favoriete boek dat ik op een denkbeeldig onbewoond eiland zou meenemen was (en is) Opperlandse taal- en letterkunde van Battus. Later las ik veel werk van Drs. P die veel van die hondsmoeilijke versvormen heeft uitgedacht. Het inpassen van taalspelletjes en of puzzeltjes in een mooi uitgewerkte dichtvorm vormde (en vormt nog steeds) van tijd tot tijd een heerlijke uitdaging.

Wat zijn je plannen voor de toekomst?
Op poëtisch gebied bestaan er geen echt grote concrete plannen voor de toekomst. Ik zal straks weer graag meeschrijven aan een volgende sonnettenkransenkrans onder redactie van Bas Jongenelen, maar laat me verder leiden door wat er straks spontaan op mijn pad komt. Voor het overige wil ik samen met Anneke gewoon van het leven blijven genieten, o.a. door het maken van reisjes en het zien opgroeien van de kleinkinderen.

 

De held van Labbertong I

Dat zij na een minuut of twee al achterstonden
Door onbenullig vrije ruimte te doneren
Leek vooralsnog het clubje eens zo jonge honden
Van F.C. Labbertong niet in het minst te deren

Toen hun rivaal al rap de tweede liet noteren
En ook de derde viel in luttele seconden
Werd luid gescholden op de bloedeloze heren
Die het vertrouwen van de eigen aanhang schonden

Op de tribune zong men zich de kelen schor
Men smeekte om een changement van het decor
En ja, daar was hij, Remko, met zijn lichte tred

Hij sloopte vier keer de defensie van die ‘ratten’
Zie daar, het wonder van een droom in het sonnet
Je mag de kracht van een poëet niet onderschatten

Eerste gedicht uit De held van Labbertong, de bundel die bij Uitgeverij Liverse staat gepland

Geplaatst in Interviews.