Willem van Toorn – De dagen

Het zal er toch een keer van moeten komen

door Hans Puper




In De dagen van Willem van Toorn krijg je wat je verwacht: de gedichten bevatten fragmenten uit het dagelijks leven, veelal in en rond zijn geliefde huis in Frankrijk; kleine gebeurtenissen of waarnemingen zijn aanleiding voor overpeinzingen en herinneringen. In de stijl en inhoud herken je de begaafde schrijver van korte verhalen: de gedichten zijn anekdotisch en hebben een sterke samenhang. Van Toorn schrijft toegankelijk, helder, ieder woord staat op de juiste plaats, geen woord is teveel. En hij schrijft zo beeldend, dat je de beschreven situaties zonder moeite voor je ziet. Op een hete zomerdag aan de rivier ziet de dichter bijvoorbeeld ‘de ernst van / op water dalende eenden met vooruitgestoken voeten’. (‘Van de lucht’, p. 33). Soms ook hóór je wat hij schrijft: ‘Onverwachts, een sopraan boven het grommend mannenkoor / van de tractoren in het dal, de hoge galm / van ploegend staal op steen (…).’ (‘Stenen’, p. 42).
Die dalende eenden hebben voeten, geen pootjes. De dichter geeft zich over aan de natuur, hij identificeert zich met al wat hij aan leven ziet. Prachtig is zijn observatie van jonge buizerds, de opgroeiende jeugd:

(…)
Vier deze lente. De jongen moeten les
van het ouderpaar dat in het beekdal huist.
Leven wil geleerd zijn en geoefend: hoe

je goede thermiek vindt op de grens van water
en akkerland om opgeheven naar de juiste hoogte
de wereld te overzien, welke signalen duiden
op muis of mol, wegduikend in de varens,

of waar een ander territorium begint, hoe de banale
groepsgewijze pesterij van het rapaille der kraaien
waardig af te slaan. Later dit jaar zullen ze moeten
vertrekken, de jongen, om op eigen vleugels al

wat hier geleerd is te gaan onderzoeken
op geldigheid in een verder, eigen dal.

(Uit: ‘Uit de Berry’, p. 46-47)

De laatste jaren van het leven, herinneringen die actueel blijven en de dood vormen de overheersende thematiek in de bundel, altijd in samenhang met een hartstochtelijke liefde voor het leven. Maar toch: het wordt leger om hem heen. Oude vrienden vallen weg, onder wie een innig geliefd hondje. Dat het hier niet om een mens gaat, doet er niet toe: ‘We zagen / weer van dichtbij wat sterven is en dat het zeker / nooit overgaat, gemis.’ (‘Pip’, p. 13). Soms is de dood gruwelijk wreed: zo wordt een achttienjarig meisje uit het leven weggerukt door een auto-ongeluk.

‘Bisogna morire’ vind ik het mooiste gedicht uit de bundel – zonder de andere tekort te willen doen. Het is een weeklacht over het onvermijdelijke einde, onbegrijpelijk en onaanvaardbaar en hij verwoordt dat op onvergetelijke wijze. Tegelijkertijd is er sprake van berusting, omdat ontelbaren hem zijn voorgegaan. De drie Italiaanse strofen (de vertaling volgt na het gedicht) geven daar blijk van: ze zijn al eeuwenoud. In de aantekeningen schrijft Van Toorn: “ ‘bisogna morire’ (wij moeten sterven) is een keerregel uit de Passacaglia della vita (de passacaglia van het leven) van de Italiaanse componist Stefano Landi (1587–1639)”. Ik citeer het lange gedicht in zijn geheel; u moet er geen woord van missen.

In deze oude kamers vol afwezigen
van ons gedroomde huis aan het beekdal,
doortrokken van de geuren van de aarde
en bloeiende vruchtbomen, ik de tachtig

al ruim voorbij – jawel, dan zal
het er toch wel een keer van moeten komen.

O come t’inganni
se pensi che gl’anni
non hann’da finire,
bisogna morire.

Zeker, maar wat met het kind van acht
dat nog steeds in mijn hoofd door de stad

zwerft op zoek naar eten en brandbaars
voor de kachel thuis – het is altijd koud
en oorlog in dat filmpje – en de jongen
van negen jaar later, die voor het eerst

in warm gras mag liggen met het meisje
dat zomaar een vrouw is, en de man
die ’s nachts wakker schrikt als zijn kind
huilt in een droom in haar kamertje boven

en hij volstroomt met woorden van troost.
Al die wezens die ik ooit ben geweest,
waar moeten die heen als dit hoofd wordt geleegd?

Si more danzando,
bevendo, mangiando,
con quella carogna
morire bisogna.

En het pad omlaag naar de beek
waar mijn kleindochters bramen plukten
bij blauwe kinderhanden vol, en het hoge
klinken van hun lach en hun liedjes

nog altijd lijkt na te trillen,
en de geur van lievevrouwebedstro
als het gras in de wei net gemaaid is,
en op dat pad ook mijn lief

met de kleine witte hond
dansend in de late zon
kleiner, kleiner en kleiner
voor de lage horizon –

waar bergen we dat allemaal op
als het niet meer kan in die kop
van mij omdat die niet meer daar is?

Non si trova modo
di scoglier ‘sto nodo,
non val il fuggire,
bisogna morire.

(p. 34-36)

De vertalingen van de Italiaanse citaten (ook van Van Toorn):

O, wat houd je jezelf voor de gek
als je denkt dat de jaren
nooit een eind zullen nemen,
we moeten toch sterven.
(…)
We sterven al dansend
en drinkend en etend,
met zo’n kadaver
moeten we toch sterven.
(…)
Er is geen manier
om deze knoop te ontwarren,
vluchten is zinloos,
we moeten toch sterven.

Alleen al dit gedicht rechtvaardigt de aanschaf van de bundel.
____

Willem van Toorn (2019). De dagen. Querido, 58 blz. € 16,99. ISBN 9789021422305

Geplaatst in Recensies.