Rob de Vos-prijs 2020 Eervolle vermeldingen (I)

De winnaars van de Rob de Vos-prijs zijn inmiddels bekend. Er werden nog zeven gedichten genomineerd die een eervolle vermelding kregen. Vandaag maken we kennis met vier van deze dichters en het gedicht dat zij instuurden. Zaterdag volgen de laatste drie. Uiteraard ontbreekt ook hier het vakkundige jurycommentaar niet. Via de link kunt u het thema zien waarop de gedichten geïnspireerd moesten zijn.



Foto Ilse Mertens

Steven Graauwmans (1972) woont en werkt in Brussel. Hij schreef de dichtbundels Uitzicht Lotto, Reservisten van maandag en In een blauwe zon. Tijdens het Brussels Planetarium Poetry Fest 2020 speelde hij de première van zijn monoloog: Ms Jane Beryl Wilde.

Hoe helden goden worden

Je tekent onze eerste scène in druppels
op het raam, rug aan rug. We fluisteren
de opgelegde tekst: het verhaal
van vroeger en wat voor ons ligt.

We tellen honderd stappen, keren en mikken.
Deze dood sterft niemand: in de gebroken pupil
glimt de glans van het ochtendlicht.
Het publiek onthoudt onze laatste woorden.

Ik vertel waar jij onvindbaar werd
in het onvermijdbare stof van ons lijf.
We herrijzen als verzonnen goden.

Of hoe ik mijn oude vel
weer rozer verf, hoe de wereld
mijn nieuwe tanden telt.

Jurycommentaar:
(Herbert Mouwen)

Het sonnet is geen beschrijving van een beeld, de dichter heeft zich laten inspireren door het beeld. Het gedicht zet het in beweging, koppelt er een ontwikkeling aan: ‘het verhaal van vroeger en wat voor ons ligt.’ De lezer is getuige van de wijze waarop ‘helden goden worden’ en uiteindelijk (in het schrijfproces) ‘herrijzen als verzonnen goden’. Bij elke lezing roept het gedicht nieuwe vragen op, interpreteer ik de inhoud anders, maar altijd is er de overgang van het aardse naar het hemelse, van het stoffelijke naar het onstoffelijke. Het gedicht behoort tot het soort poëzie dat zich nooit helemaal prijs geeft. De dichter kan bij wijze van spreken nog vele ‘Of’-strofen aan de laatste toevoegen. Het mysterieuze is en blijft aanwezig en daagt mij als lezer uit om het telkens opnieuw te lezen. ‘Deze dood sterft niemand: in de gebroken pupil / glimt de glans van het ochtendlicht.’ In het moment van de dood weerspiegelt zich het nieuwe leven, een nieuwe tijd. Wat een fraaie versregels!

________________________



Marloes van der Singel (1982) is tekstschrijver en woont in het mooie Steggerda. Ze schrijft verhalen en gedichten. Haar korte verhalen werden gepubliceerd in tijdschrift Op Ruwe Planken, tijdschrift Ei en tijdschrift de Optimist. Haar poëzie is terug te lezen op haar eigen website. Als Marloes niet schrijft maakt ze graag abstracte schilderijen of loopt ze op blote voeten door de bossen met haar hoofd in de wolken.

Vreemde vogels

Zo hoort het niet
zeiden ze en
je doet het niet goed
maar niemand vroeg
waarom
of vertelde
hoe het dan moest
in een omgekeerde wereld

waarin het ei
de vogel uitbroedt
er met vaste stift
omlijnd wordt
terwijl jij tracht
jezelf uit te vlakken tot
er niets meer rest
dan vage grijze vegen op
een verkreukelde zaterdagkrant

je moet blijven
zeiden ze maar wel
binnen deze lijnen
ze trekken
handenvol veren uit
de mooiste
tot je vleugellam
en monddood
niet meer vallen kan
of vliegen

Jurycommentaar:
(Inge Bak)

Een gedicht dat leest als een ultrakort verhaal. In eenvoudige taal wordt het lot van een outsider uiteengezet en hoe die zichzelf kwijtraakt wanneer hij zich conformeert aan de groepsnorm – er gaat een kleurrijk iemand ten onder. Ondanks dat het in het gedicht slecht afloopt met de buitenstaander leest het als een oproep om vooral oog te hebben voor de mens die buiten de lijntjes kleurt. De afbeelding van het dode/zieke vogeltje is in taal herleid naar een symbool voor de outsider.

________________________________



De Vlaamse Nele Bruynooghe (1987) woont in Opwijk. Zij schrijft poëzie omdat het voor haar de beste manier is om zich uit te drukken in taal. Als mens maak je zoveel mee, maar er is weinig ruimte om erbij stil te staan. In haar poëzie probeert ze even stil te staan. Gedichten van Nele zijn in 2019 opgenomen in Het Gezeefde Gedicht en in de bundel van Jotie ’T Hooft Poëzieprijs.

Buitenhuid

Als ik je niet meer zie, onthoud dan dit:
de ronde woorden die we uit onze buitenhuid sneden
omdat we erin waren gaan liggen.
een nest in het warme losgerukte vlees,
de stukken moeder en minnaar trok je over je heen
als een vraag zo zacht.
Was het teder zijn of afstand nemen?
Bleef je maar in mij graven. Vingertoppen
wit weg laten trekken in een schouder.
Om een rand. Om de kleuren
te vangen in het schitterend wegkijken
dat al maanden duurt.

Jurycommentaar:
(Hans Franse)

Opeens was er dit gedicht dat mij, na de rationele en verstandelijke middelmaat van gedichten waarin alles klopte, maar die mijn gevoel niet raakten, een klein elektrisch schokje gaf. Het raken van gevoel is toch essentieel voor poëzie: je moet lachen, huilen, kwaad worden. Er ligt een wereld van weemoed en verdriet onder deze tekst. Is het een afscheid? Twee mensen waren zo dicht bij elkaar dat ze ‘een nest in het warme, losgerukte vlees’ maakten, ‘stukken moeder en minnaar’ trok je over je heen. Ook hier kan de lezer invullen. Een weemoedig afscheid met niet eens verhulde, maar zuivere erotiek, die fel lijkt, maar in feite geresigneerd is, subtiel verwoord, met die prachtig weemoedige eindregels, waarin het afscheid in kleuren wordt verbeeld. Intuïtief bijna gaf ik het een hoog cijfer.

____________________



José Raaijmakers (1958) woont Nijmegen waar ze is afgestudeerd in ‘De Vrije Letteren’. Zij schrijft al vele jaren poëzie en treedt sinds enige tijd weer meer naar buiten met haar werk. Ze stond al eens eerder met een gedicht op Meander. Poëzie is voor José een soort daklozenhuis voor de ziel en schrijft ze er flessenpost voor op de vloedlijn van zingeving. Misschien moet ze eens wat vaker een adres en een postzegel op de flessen plakken?

Acrobaten

de spiralen piepen en kraken, dat is normaal
bij fantoompijn
van ijzeren navelstrengen, van stukjes vader;
mijn lichaam ligt naast het hare in het grote ledikant,
onze ogen maken de late gebaren, het trekken
en duwen lijkt op schurken, op aaien

dit nest was een trouw vangnet, een kluwen gestrikte
veters waarin mensen acrobaten werden
die deden alsof ze gingen vliegen

balancerend op haar wervels, haar fiere armen,
hadden we vaak iets voelen schuiven, zogen we
onze adem vacuüm tot we lichtgewichten werden
in amper verende stapelbedjes,
vondelingen
tuimelden als koppoters in
onze eigen lijven

we hingen wilde dieren en paradijsvogels in glazen kooitjes
aan de muren, misschien was dat de reden
dat er een vrouw in mijn lichaam groeide

mijn lichaam is een vrouw, het knipt nagels, het vijlt eelt,
het zet deuren op een kiertje en spant
propere witte lakens;

deze mensen lagen al eerder ongeveer zo samen
en ook nu is er opeens die rauwe eenvoud
van doorschijnende huid, dunne haartjes
op een kussen

achter in haar blik klim ik, lenig geworden van stilte,
snel uit een tuigje, ik klim in mijn leven,
onze oogleden strijken wat kreukels;
breken als een ei is moeilijk voor een vrouw

ze kijkt nog even rond

– ik had alvast bouillon getrokken, in de diepvries
ligt nog brood en wat rundergehakt,
… vergeten jullie niet vanavond
het raampje van de wc dicht te doen –
fluistert ze.

Jurycommentaar:
(Kamiel Choi)

Het gedicht opent met sterke beelden als ijzeren navelstrengen en stukjes vader, die waarschijnlijk verwijzen naar de kindertijd van de ik. De reden waarom ‘er een vrouw in haar lichaam groeide’ blijft mysterieus, maar het onderscheid tussen de ik en haar lichaam wordt tot het einde van het gedicht volgehouden. Het vrouwelijke lichaam kwijt zich van huiselijke taken die de ontmoeting van de mensen mogelijk maken. Ik vind de ‘rauwe eenvoud / van doorschijnende huid, dunne haartjes / op een kussen’ mooi beschreven. Heel even valt de vrouw met haar lichaam samen: ‘onze oogleden’. De ik treft haar eigen voorbereidingen (bouillon trekken), maar het lichaam blijft tot het laatst bezorgd, alsof de volwassen vrouw weer met een soort ijzeren navelstreng aan haar lichaam is gebonden. Behoorlijk complexe poëzie met enkele prachtige beelden.

Geplaatst in Gedichten, Rob de Vos-prijs.