Anna de Bruyckere – Voor permanente bewoning

Gedichten voor denkers

door Herbert Mouwen




Voor permanente bewoning is de debuutbundel van filosofe en econome Anna de Bruyckere, die in de jaren 2018-2019 stadsdichter van Middelburg was. De bundel bevat 26 gedichten. Een aantal van die gedichten hebben een lengte die enkele pagina’s bestrijkt. De dichtbundel opent met het gedicht ‘Het maakt niet uit’ dat ik na lezing als een preambule van de bundel beschouw. De overige gedichten zijn ondergebracht in drie afdelingen, namelijk ‘Achteraf gezien’, de afdeling ‘Eilanden’ die slechts uit drie gedichten bestaat en ‘De dieren, de dieren’. Het openingsgedicht dat drie bladzijden lang is, begint met de volgende vier strofen:

Wees als water, denk je.
Water stroomt, verdampt, verwaait, slaat elders neer.
Het verdwijnt dan wel niet maar zo kom je
tenminste nog ergens.

Want verdwijnen lijkt nog een mogelijkheid, maar is het niet meer?
Dan bevind je je onder een hemel. En eenmaal geboren
vindt weinig behalve water zomaar zijn weg.
Wees dus als water.

Veranderen doet het niets, hoor.
Dat leer je uiteindelijk wel.

Je leert, al lopen
de vormen onder een hemel uiteen
in de kern lijken de dingen zo vaak hetzelfde –

De titel van het gedicht verwijst naar een aantal begrippen: verdwijnen, je weg vinden en veranderen. Deze worden gekoppeld aan ‘Je leert’. Na de willekeurige presentatie van ‘een medicijnman’, ‘een minnaar’ en ‘een rivier’ stelt de dichter vervolgens dat ‘de dingen toch zo vaak hetzelfde’ lijken, ondanks dat ze ‘elk iets anders’ doen. Kort samengevat gaat de rest van het gedicht over het zien van verschillen ‘tussen de dingen’, wat het begin en einde van een ‘gelijkenis’ is en ‘wat het allemaal betekent.’ Ik zie dat de drie genoemde zaken die hetzelfde zijn, in dit openingsgedicht geen concretiseringen van het abstracte denkniveau zijn. Ik ga er eens serieus voor zitten en dan eindigt het gedicht onverwacht met ‘Dat je staat voor ik. Dat je je snel in water verslikt. / Dat alles in feite een spel is, een mop – ’ Mag de titel dan toch opgevat worden in de onverschillige betekenis van: het maakt me niets uit? Dat er met mij als lezer een spel gespeeld wordt, daar heb ik geen moeite mee, dat vind ik zelfs een aantrekkelijke uitdaging. Nieuwsgierig naar het vervolg en de afloop van dit spel, ben ik natuurlijk wel.

Na deze opening volgen de meest uiteenlopende onderwerpen. Het gedicht ‘Achteraf gezien’ gaat over een familiefoto, die tijdens een feest gemaakt is, over wie er wel en niet aanwezig zijn geweest en over het openmaken van een cadeautje. Bij het gedicht ‘Onder het melkhout’ zoek ik naar een inhoudelijke relatie met ‘Under Milk Wood’ van Dylan Thomas, maar vind die niet. In ‘Niks mee te maken’ ligt de ik-figuur in bed en ’s nachts trekken dieren zoals wezels en dassen de
kamer binnen. Dan staat er: ‘Ik vloog van onder de lakens en rende naar het raam / waar de kat zat.’ Het eerste gedeelte van deze versregel is een vreemde zin. Is deze grammaticaal wel juist? Buiten het feit dat inhoudelijk sommige gedichten op geen enkele manier zijn te duiden, bevat de poëzie Van Anna de Bruyckere weinig expliciete beeldtaal en stilistische middelen. Haar gedichten zijn in het algemeen redeneringen, uitgewerkte denklijnen. Ogenschijnlijk lijken ze over concrete zaken te gaan, maar ze hebben een hoog abstractieniveau. Haar poëzie heeft een objectiverend karakter. Het is jammer dat haar gedichten niet meer toegepaste rijmmiddelen als assonantie en alliteratie bevatten. De muzikaliteit van de poëzie wordt daarmee niet alleen verhoogd, maar deze vormen van rijm verbinden ook woorden, versregels en strofen door de overeenkomst in klank of dragen daartoe in bij. Een ander gevolg van haar zakelijke taalgebruik is dat de taal weinig ritmisch is. Ze schrijft geen vloeiend lopende versregels. Ook het gebrek aan interpunctie helpt de lezer niet altijd, zoals de korte strofe uit ‘Hoe je alles telkens wilt blijven aanvaarden’:

Weet wat waar is
is een molensteen, wat goed
een heldere droom die je vaak te snel vergeet.

Soms doen de grammaticale constructies geforceerd aan en moet je als lezer goed kijken of ze wel correct zijn. Een voorbeeld: ‘Je bent helemaal geen herberg / in je diepste wezen, je bent / het nooit geweest.’ Hier is het gebruik van het verwijswoord het niet correct.

Wil de lezer opgezadeld worden met leefregels? Ik niet in ieder geval. De dichter mag met mij als lezer spelen en me uitdagen, maar hoe ik moet of kan leven hoef ik niet in een gedicht te lezen. Voor mij is het lezen van poëzie een vorm van absolute vrijheid. Ten opzichte van gedichten als ‘Leefregels voor een leven dat zich niet laat lijden’, ‘Zeven dingen die je bijvoorbeeld kunt willen dit jaar’ en ‘Leefregels voor een leven dat zich niet laat leiden’ stel ik me gereserveerd op, hoe aardig het woordspel tussen ‘leiden’ en ‘lijden’ in de twee titels ook is. De uitwerking in het eerstgenoemde en derde gedicht in de vorm van het noemen van een aantal werkwoorden (o.a. luisteren, denken, kijken, begrijpen) met een korte poëtische omschrijving is te simpel. Het staat buiten kijf dat de dichter de volle vrijheid heeft een lezer leefregels in de vorm van gedichten aan te bieden.

De poëzie van Anna van Bruyckere bestaat inhoudelijk vooral uit denklijnen, die enerzijds zorgvuldig volgens een particulier denkpatroon opgebouwd zijn, anderzijds alle kanten ‘uitwaaieren’. Het begrip ‘uitwaaieren’ is overigens ook een van bovengenoemde leefregels. Binnen de denkwereld van de dichter is er veel ruimte voor associëren, zoals in het gedicht ‘Geel’, waar aan de hand van de associaties de mogelijkheden van de kleur geel onderzocht worden. De conclusie moet dan ook zijn dat deze bundel vooral poëzie voor denkers bevat, misschien wel voor ingewijden. De gedichten zijn niet zo toegankelijk voor de lezer. Een denkpatroon dat terugkomt in Voor permanente bewoning is een gedicht beginnen met het vaststellen van wat de je-figuur niet is en dit aan de hand van een beeld. Het gedicht ‘Ik dacht het niet’ – de titel is mooi ambigue – begint met ‘Je was geen herberg. Je bent het nooit geweest.’ / Wees liever vestingstad.’ Het beeld ‘herberg’ wordt verder uitgewerkt om te eindigen met de regels ‘Laat herbergen voor wat ze zijn. / Roes. Vals. Schijn.’ Een gedicht schrijven over iets dat de je-figuur nooit is geweest, is verrassend. In de derde afdeling opent het gedicht ‘Bouwtekening’ met ‘Lege ruimte ben je nooit geweest / Lichaam en geest?’. De bouwtekening is uiteindelijk een ontwerp en met behulp daarvan kun je met inzet van je fysieke bouw van een ‘rommelschuur’ een ‘gedegen kasteel’ maken. Het is een opmerkelijk gedicht dat ik zie als een gedicht dat de persoonlijke ontwikkeling van de dichter weergeeft: de dichter als ambitieuze architect. De strofe ‘De nog onbestaande lijnen en constructies die je gaat verzinnen / een voor een ontfutselen aan je hoofd, je hart.’ maakt dat zeker duidelijk. Het woord ‘ontfutselen’ is heel raak gekozen. Het gedicht eindigt met ‘tot je de meesterbouwkundige geworden bent / die in je krochten huist // je krochten geschikt / voor permanente bewoning.’ Of de Anna de Bruyckere als dichter al zover is, is nog even afwachten.
____

Anna de Bruyckere (2020). Voor permanente bewoning. Cossee, 64 blz. € 19,99. ISBN 978905936922

Geplaatst in Recensies.