Hoe meer je weet hoe meer je ziet

door Johan Reijmerink


foto Alja Spaan, de Hermitage, 13 augustus 2018

 

De kunsthistoricus en oud-directeur van het Rijksmuseum Henk van Os gaf in de laatste decennia van de vorige eeuw toelichtingen bij beelden en schilderijen in de televisieprogramma’s Beeldenstorm en Museumschatten. Zijn programma’s werden door een breed publiek gewaardeerd. Uit zijn levendige presentaties sprak voor mij het adagium: hoe meer je weet, hoe meer je ziet. Zijn oprechte en intuïtieve benadering vanuit een gedegen kennis en ervaring overtuigden mij ervan dat hij voorbij een inwisselbare mening of opvatting kwam in zijn beschouwingen. Van Os was voor mij beslist niet pretentieus door de indruk te wekken meer of beter te zijn dan hij was.

Bij de voorbereiding op een lezing ter promotie van mijn zojuist verschenen boek De dans van de dichter stuitte ik op het essay Echte pretentie (2019) van schrijver en journalist Joost de Vries. De Vries probeert in zijn essay een omgang te vinden met het verschijnsel pretentie. Wat is pretentie, wat is echte pretentie? Hebben we pretentie nodig als we kunst beoordelen?

Het blijkt in deze tijd moeilijk te zijn om die ene mening van een recensent/criticus/essayist  te accepteren in een maatschappij die ondertussen horizontaal gestructureerd is geraakt. Daarin is de ene mening gelijk aan de andere, welke deskundige op welk terrein ook aan het woord is. Zelfs de wetenschap staat tegenwoordig ter discussie. Meningen worden als feiten gepresenteerd en gelijk(waardig) geacht aan zorgvuldig getoetste wetenschappelijke inzichten. Dat verschijnsel moeten we zien tegen de achtergrond van een voortschrijdend populisme, het gebruik van de sociale media als Facebook, Instagram en Twitter.

Dit populisme op het terrein van de kunsten deed in 2013 officieel zijn intrede met het cultuurbeleid van staatssecretaris Halbe Zijlstra. Hij beschouwde cultuur als een linkse hobby, als een vrijetijdsbesteding. Wie zich toch met cultuur wilde bezighouden, beschouwde hij als een snob die zich elitair, moeilijk en pretentieus opstelde in zijn taalgebruik, mening en opvatting. Een snob doet het overigens voorkomen dat hij zich meer of beter acht dan een ander. Die houding veronderstelt niet alleen dat iets niet voor iedereen zou zijn, maar ook dat het overdreven is, onnodig, onecht. Pretentie draait uiteindelijk in alle denkbare situaties altijd om afwijking van het gemiddelde, en dat willen mensen tegenwoordig steeds minder accepteren. De oplaaiende discussies in coronatijd zijn daarvan weer een duidelijke illustratie.

De Vries memoreert in zijn essay het meest gecanoniseerde moment van de populistische oppervlakte versus de pretentieuze diepte in het culturele debat aan tafel bij het toenmalige DWDD.  Arnold Heumakers, de gerespecteerde ex-literatuurcriticus van de NRC vond toentertijd tegenover zich Hugo Borst, de populaire voetbalcommentator en succesvolle actievoerder voor een menswaardige behandeling van ouderen in verzorgingstehuizen. Het debat vond meer dan tien jaar geleden plaats. Het werd een verhoor dat Matthijs van Nieuwkerk opende met de vraag of de romanschrijver Herman Koch nu eigenlijk wel of niet literatuur schreef. Heumakers had namelijk een kritische beschouwing geschreven over diens succesvolle roman Het diner (2009). Borst beschouwde Heumakers als een wereldvreemde snob die een succesvolle roman afwees. Volgens Heumakers had de roman een clou die het hele verhaal ondermijnde. Dat viel niet goed bij de tafelgenoten. Hem werd kwalijk genomen dat hij zijn mening had durven uitspreken voor het duizendkoppige publiek dat, gelet op de verkoopcijfers, wel beter wist wat goede literatuur was.

De lezer en de schrijver staan tegenwoordig op één lijn, ze doen het samen, democratisch in het gelid, zonder enige onderscheidende hiërarchie. Het was duidelijk dat Borst niets moest hebben van culturele pretentie. Het wordt tegenwoordig niet meer aanvaard dat je je laat voorstaan op welke kennis dan ook. Informatie superioriteit is ongewenst.

Wat is in dit kader de waarde, de waarheid van een essayist, criticus of recensent? De literatuurbeschouwer maakt de leeservaring van de lezer minder solitair, minder van voorbijgaande aard. Zeker, hij heeft een verantwoordelijke taak die niet geleid mag worden door belangenverstrengeling, frustratie of machtswellust. Kijk- en verkoopcijfers mogen niet beïnvloed worden, iets wat overigens in de wereld van de poëzie nauwelijks van betekenis is. Belangrijk is wel dat je je onafhankelijkheid als criticus bewaart en je keuzes beargumenteert. Ook in het geval van een tegenvallende bundel is het belangrijk naast de kritische kanttekeningen ook een positief accent te leggen.  Voor de Amerikaanse schrijver en criticus John Updike was een criticus als een leraar. Hij riep op om de schrijver te begrijpen door te werken met verhelderende citaten.

Voor De Vries is recenseren meer een vorm van begrijpend dan van beoordelend lezen. Voor hem is heel belangrijk wat de Duits-Amerikaanse filosoof Hannah Arendt over oordelen zegt. Oordelen is volgens haar het delen van de wereld met anderen. Wie oordeelt neemt verantwoordelijkheid voor de wereld, het is in feite een amor fati. Je weet je leven verbonden met je lot. Als poëzierecensent maak je deel uit van de wereld van de dichter wiens bundel je beoordeelt. De veronderstelde zorgvuldigheid waarmee het werk tot stand is gekomen, verlangt van hem dat hij de verantwoordelijkheid op zich neemt om tot een evenwichtig oordeel te komen. Die echte pretentie mag hij voeren. Daarbij helpt het, als hij over voldoende kennis en ervaring beschikt. Hoe meer je weet, hoe meer je ziet. Dat is niet pretentieus, maar waar!

 

Geplaatst in Column.