René Smeets – Straks gaat het jenever sneeuwen

Jenever in poëzie

door Inge Boulonois




In een oogopslag is te zien dat er aan de uitvoering van Straks gaat het jenever sneeuwen veel aandacht is besteed. Op het voorplat van de hardcover prijkt een bonte, oude affiche van drie glunderende schaatsers met een borrelfles. Bladerend springen de kleurrijke, aan spirituosa gelieerde illustraties eruit. Deze zijn afkomstig uit de collectie promotionele affiches van het Jenevermuseum te Hasselt. De bloemlezing is een uitgave van het Poëziecentrum te Gent in samenwerking met het Jenevermuseum en de PXL-MAD School of Arts. René Smeets bracht de gedichten in opdracht van het museum en het centrum samen. Steun voor dit ambitieuze project kwam van de Vlaamse Gemeenschap.

De titel van de anthologie is ontleend aan de beginregel van Bernlefs ‘Winterlied’. In letterlijke zin kan ik me van het ‘sneeuwen’ van jenever, dit als regel koud geserveerde vuurwater, geen beeld vormen. Volgens internetbronnen schiet dit vocht pas bij zeg –20 graden tot kristal. Als metafoor slaat het op kwantiteit, wat mooi aansluit bij de vele gedichten in dit boek. De ondertitel De mooiste jenevergedichten uit de Nederlandstalige literatuur, gedistilleerd door René Smeets’ geeft aan dat de samensteller zich als fijnproever wenst te profileren.

Smeets is vooral als vertaler en bloemlezer van poëzie literair actief. Hij stelde anthologieën samen met gedichten over respectievelijk champagne, bier en wijn. Poëtisch slaat hij, naast schuimende en bruisende brouwsels, dit jonge en oude koolzuurarme nat niet af. De eerdere bloemlezingen fungeerden a.h.w. als gildeproefstukken voor deze ‘gouden dronk’.

In het voorwoord getiteld ‘Enkele druppeltjes vooraf’ maakt Smeets kenbaar dat de bundel naast odes op dat nat ook anti-jenever-gedichten bevat. Zijn focus lag exclusief op de Lage Landen, waar voor het eerst jeneverbesdistillaat werd gestookt. Na de teaser-druppels volgen acht hoofdstukken met titels die naar hun concrete inhoud verwijzen.

Het citaat ‘Jenever is toch vloeibaar goud’ van Jan Gresshof begeleidt het eerste, grootste hoofdstuk, waarin de lezer de vele geneugten ervan krijgt voorgeschoteld. Naast de troost die het biedt en de impact op liefde en droomleven, worden de baten voor de staatkas bezongen. In het genoemde ‘Winterlied’ kijkt Bernlef naar een wereld waaraan menig drinkebroer zich gaarne wil laven:

Winterlied

Straks gaat het jenever sneeuwen
dan maken wij glijbanen van jenever

Stel je eens voor ’s morgens op je raam
prachtige jeneverbloemen

En over de hele natuur
een waas van jenever.

Ik kom niet uitsluitend grootheden als Weemoedt, Boerstoel, Van Wissen en Rawie tegen, van wie lezers weten dat zij dit vocht hoog in het dichterlijke vaandel hebben staan. Ook literaire coryfeeën als Nolens, Slauerhoff en Kopland passeren, naast onbekende dichters, de revue. Van Robert Hennebo bijvoorbeeld, die er blijk van geeft reeds op een vroeg uur in een roes te verkeren, had ik nog nooit gehoord. Uit zijn extensieve, achttiende-eeuwse dichtwerk De lof der Jenever:

Jenever, in den Morgenstond,
Verfrist, en maakt den Mensch gezond,
Verjaagd de slaap, en maakt de zinnen
Bekwaam, om alles te beginnen.

Natuurlijk ontbreekt Kees Stips ooit clandestien uitgegeven Diewertje Diekema niet. Komrij, zoals van deze notoire Momus te verwachten valt, koos voor een wel zeer specifieke invalshoek als hij Zizi bezingt: ‘Waarna zij zich, met hitsig heupgewiegel, / Bevredigde met haar jeneverkruik’. Aan inhoudelijke variatie geen gebrek.

Hoofdstuk 2 herbergt op liedjes geïnspireerde verzen, zoals op (de oudste versie van) het kluchtlied over Kortjakje. Verder kom ik naast werk van anonymi ook o.a. Speenhoff, Theo van Gogh en Herman van Veen tegen. Het hoofdstuk erna bevat overwegend kwatrijnen. Willem van Iependaal ziet, evenals Komrij, een nieuwe functie voor het liefdesleven van de ongetwijfeld hier ook ronde fles of kruik: ‘Nu ligt de dolverliefde man, / Die Loesje niet kon velen, / Des nachts in godverlatenheid / De buik … van Bols te strelen’.

Ongeveer halverwege de anthologie echter begint een zacht en zoet verdriet door de gedichten te sijpelen. Frictie doemt op. Eerst nog quasi-onschuldig en leutig bij Boerstoel: ‘Mijn tante heeft mijn oom getrouwd / zo’n twintig jaar geleden, / jenever was de oorzaak / en mijn neefje was de reden.’ Maar bij Van Wissen is de tweespalt flagrant: ‘Want enerzijds trekt naar de kroeg het hart, / Doch naar het kerkhof anderzijds de lever.’ De lezer moet zich voorbereiden op de kater van de huppeldrank, het figuurlijke ‘statiegeld’: gezondheidsrisico’s en gezinsproblemen. Maar, zoals dat normaliter gaat, wordt er eerst ontkend dat drank een probleem vormt. Van Tom Bezemer is het groeidicht ‘Statiegeld retour’:

Jenever kopen deed je voor de flessen
De inhoud nam je min of meer voor lief

Om dagelijks je grote dorst te lessen
Zodat je toch wel vaak het glaasje hief.
Maar (in de grond der zaak behoorlijk clever)

Het statiegeld, dát was het hoofdmotief
Zo kon je kopen, eeuwig en for ever
Een kringloop zonder al te veel excessen
Want echt bezopen, nee, dat was je never

Een trouvaille vind ik de ontkenning in ‘je never’ waarmee het gedicht, van het eerste woord tot de laatste twee, fijntjes in het teken van dit vocht staat. Alvorens de lezer in het prekerige anti-jenever-genre belandt, maakt Smeets een uitstapje. In twee hoofdstukken bracht hij gedichten over de jeneversteden Hasselt en Schiedam bijeen. Maar bij hoofdstuk 7, met als aanhef ‘Keer, keer terug die zulks nog kan: sla den genever in den ban’ van Jan Van Ryswyck, krijgen moraalridders de ruimte. Het gouden vocht heet dan duivelsnat, nippen wordt zuipen, de hellekrocht vervangt de kroeg en de degusterende drankliefhebber is een zuipschuit, kannekijker, pimpelmees, kroegvlieg, bambocheur, etc. Met deze bundel kan de lezer zijn woordenschat van de geestrijke taal fiks uitbreiden.

De van uitroeptekens voorziene aansporingen, bezweringen en vermaningen – ongetwijfeld deels blauwe-knoop-intertekstualiteit – zijn niet van de lucht. ‘En de werkman werd de beweging trouw / En brengt nu z’n centen aan moeder de vrouw!’ (J.E.K. te K).‘Wij haten u gij duivelsdrank / En willen matig zijn!’ (G. van Vlemmeren). Saillant in dit deel is het forse aantal onbekende dichters. Tussen moralisme en poëzie klikt het meestal niet zo. Hendrik Heyman, een Belgische politicus die wat indertijd aan Bacchus werd geofferd wilde terugdringen, schreef: ‘Wie is er in een huisgezin, / van ramp en armoë het begin? / De jenever!’ Het zou van grote sociale betrokkenheid getuigen als een van onze kamerleden eens een soortgelijk gedicht zou schrijven over de door de NAM veroorzaakte Groningse problematiek. In dit hoofdstuk bevindt zich ook een fraai typografisch gedicht van G. Sengers, getiteld ‘Wat de jenever spreekt’. Onderaan, op de voet van het glas, zie je dat de drinker ‘in schande en ellende verzinkt’. Kortom: hoe oogstrelend ook, na de beneveling volgt de ontnuchterde desillusie.

En dan ben ik bij het laatste hoofdstuk, ‘De laatste druppel‘ getiteld, beland. Slechts één gedicht staat erin, het enige dat niet uit de Lage Landen komt. Smeets zelf heeft Verlaine’s ‘Chanson pour boire’ uit 1896 vertaald. Het lyrisch-ik blijft berooid achter: ‘Mij rest zelfs niet de schaduw van een cent / Om u een glas te schenken van wat Amsterdam mij zendt.’ Als uitsmijter een drinklied dat in feite ‘drink niet’ zegt. En dan is het op.
Een grote verdienste is het om zoveel, ruim honderd jenevergedichten bij elkaar te hebben gekregen. Dat verraadt intensief speurwerk. De verzen vertonen een grote diversiteit en dateren van de 18e tot en met onze eeuw. Formeel variëren ze van vrij vers tot sonnet, van kwatrijn tot volksliedje, van villanelle tot limerick. Hoogdravend en liederlijk dichtwerk wisselen elkaar af.

Smeets heeft diverse bronnen geraadpleegd, van heel bekende tot geheel onbekende, op internet gevonden dichters. Gevolg is dat de poëtische kwaliteit varieert en op de inhoud valt af te dingen. Dit wil niet zeggen dat het – relatief – niet ‘de mooiste jenevergedichten’ kunnen zijn. Een echt ‘slobbervers’ is dat van, nomen est omen, De Rijmpiet. En bijvoorbeeld dat ,in het sterke gedicht over geluk van Marjoleine de Vos, jenever slechts een zeer marginale rol speelt, vind ik, gezien de stringente thematische begrenzing, minder storend, ook omdat door vrouwen geschreven jenevergedichten amper bestaan. Op het gebied van door alcohol ingegeven ontboezemingen, valt voor dichteressen een fikse inhaalslag te maken. Persoonlijk had hoofdstuk 7 wat korter gemogen, al realiseer ik me dat de grote sociale problematiek in een tijd dat vooral arbeiders hun sores wegdronken, een niet ondergeschoven plaats verdient.

Alles bij elkaar een waardevolle bloemlezing die ook aan niet-jenever-drinkers, zoals ikzelf, besteed is. Door hoofdstuk 7 valt er ook voor geheel onthouders het een en ander te genieten. Als slot moet ik nog vermelden dat bij deze bloemlezing een tentoonstelling met gevarieerd activiteitenprogramma is gepland op maar liefst acht locaties in Vlaanderen en Nederland. Meer info www.jenevermuseum.be
____

René Smeets (2020). Straks gaat het jenever sneeuwen. De mooiste jenevergedichten uit de Nederlandstalige literatuur. PoëzieCentrum, 165 blz. € 25,00. ISBN 9789056554385

Geplaatst in Recensies.