Albert Hagenaars

Albert Hagenaars schrijft romans en poëzie. Hij publiceerde eerder in o.a. Maatstaf, De Tweede Ronde en Raster. Samen met Siti Wahyuningsih vertaalt hij Nederlandstalige poëzie in het Indonesisch (al ruim 200 stuks). Hij verblijft beurtelings in Nederland en Indonesië. Mede daarom zijn de belangrijkste thema’s in zijn werk reizen en interculturele relaties.
Wij mochten een voorpublicatie doen uit de op handen zijnde bundel getiteld Pelgrimsgrond (In de Knipscheer), uit de afdeling Onder ogen, die beïnvloed is door werk en persoon van diverse schilders.

 

foto Siti Wahyuningsih

 

VROUWENLICHT

Edvard Munch

Nauwelijks dageraad aan de gerafelde rand
van de wereld. De fabriek nog zonder rook
en de haard koud. Kloppende stilte.

Hij draait de lamp hoger, knijpt tubes leeg,
snuift met welbehagen de geur van terpentijn op
en geeuwt de maren uit zijn ongewassen lijf.

In al williger verf legt hij opnieuw
de vrouw vast die op het punt stond uit-
een te vallen onder de druk van de nacht.

Met lange streken haar meisjesangst zien
te vangen, voor ze haar blik weer afwendt
en hij, aan de oever, ontwaakt in spijt en gram.

Het doek stinkt naar wier, zij ontbindt haar
haar en strekt de armen, spert de mond,

vermeerdert, ten koste van hem, hun waarde.
SCHADUWEN

Edward Hopper

Echter dan echt, allener dan alleen.

Zo wil hij de wereld, zo de vrouw, de zijne,
met zicht op daken, richels, lege wegen,
op lage bergen, zo wil hij de uitkeer.

Hij laat laat zonlicht, schijnsel van TL-lampen
vallen op benen, borsten, billen. Ze zwijgen
om aandacht in kantoren, bars, een theater

maar niemand kijkt, niemand ziet dan wij.

Gevangen in een perspectief van nooit
wijkende ramen, onwrikbaar open deuren
slaan hun schaduwen, de onze, dicht.

Asfalt gloeit in de ochtend, gloeit na.
STRIEMEN

Egon Schiele

Vader, spoorwegchef, syfilitisch dood,
moeder verscholen achter schort na schort
en zuslief op zolder of nog in de schuur.

Zijn nooit ontbotte jeugd, het natrillen
van rails, te beklijven op papier en linnen:

meisjes spelend met zichzelf, de madonna
met paarse klit, hijzelf als beschramde dader.

Alle vingers werden hard en scherp,
verzetten zich in lijn na lijn tegen iedere
vrijblijvende blik. Alle ogen die van hem.

Zoveel talent als schaamte, te vergeven
in de kortstondige koorts van de Spaanse griep:

het hoesten en pijnlijke spreken,
het rotten van spieren en klieren,

de dood die het steeds weer aflegt tegen ons
samenspel van beschouwen en begrijpen,

loeren en grijpen.
DE KNOPEN IN HET ZIEN

Bram van Velde

Het moment dat hij aandachtig
haar bewaarde kousen ontrolde,
hun elasticiteit beproefde, voor het eerst

voorbij materie keek?

Hij scheurde, spande de flarden
tussen bed, ezel en hemzelf.

Hij was wie hij was, een man alleen

maar verbond, verboog lijnen en trok
ellipsen tot oorsprong uit een.

Knopend ontworstelde hij zich aan rouw;
ook wat uitblijft kruipt terug.

Geen verlies spoort de bezoeker
van het museum meer aan.

Geen dood méér.
LEVENSDRANG

Affandi

Verkeer raast zijn huis, nu museum,
voorbij. Yogyakarta woekert aan alle kanten.

Binnen verdringt benzinedamp de geur
van boenwas en verf. Klonterende doeken,

nog nauwelijks gewend aan even doordringende
blikken, geven laag na laag ervaringen prijs,
in geërfde drift uitgestreken met kwasten,

vingers, messen over tubes verslindende vrouwen,
demonen, opspattende bloemen, vuurvelden

en, steeds opnieuw, de eigen hongerige trekken.

Zijn graf op het erf dat een tuin bleef
en die een geloof tegen beter weten in,
getuigt evenzeer van later als van aanvang,

zindert nog altijd na van visioenen
zonder verkleuring, scheuren en schimmels,

van hun lofzang op het leven, in zweet en zaad,

in liefde en tegenliefde.
Geplaatst in Gedichten.