Schrijven doet pijn

door Hans Franse

Mijn zevende boek De rots gaat over het leven van mijn zus, een oorlogsbruid die in 1946 trouwde met een Canadees toen ik zes jaar was. Het gaat ook over mijn eigen ontwikkeling in relatie tot haar. Een simpel onderwerp.

Het begon met een bezinning op haar leven in Nederland gedurende de oorlog in de tijd dat ze het meest zou hebben moeten genieten van haar leven. Ze was 17 toen ik in 1940 geboren werd en de oorlog uitbrak.  In 1945 werden we bevrijd en een jaar later trouwde ze. Ze was 22 jaar. De verkeerde politieke keus van mijn vader in de oorlog, wierp een schaduw op onze levens, ik heb er nu nog last van. Ik vroeg me af hoe dat in haar leven was. Dat onze lieve vader de tweede man van mijn moeder was, maakte voor haar niet uit; ze hielden van elkaar, maar hoe groeide die verhouding? Hoe was de echtscheiding geweest? Moeder en zus zijn overleden, ik kan het niet meer vragen.

Dan zijn er de bezoeken aan Canada, in 1957, 1974, 1978, haar overlijden in 1981 waar ik bij was en mijn laatste bezoek in 2017, na bovenstaande bezinning. Ik bezocht toen haar graf en ontmoette de familie weer: oud geworden neven, kleinkinderen, achterkleinkinderen en achterachterkleinkinderen van mijn moeder en zus.
Tijdens mijn bezoek aan het museum ‘Pier 21’in Halifax, de plaats waar elke buitenlander aan land kwam om na een streng onderzoek toegelaten te worden –zij dus, maar ook mijn moeder en ik– kwam ze tevoorschijn uit het archief. Men verschafte mij documentatiemateriaal over haar overtocht op de Queen Mary in 1946 en over haar aankomst.
Ik schreef toen een verhaal over haar, dat aanvankelijk niet verder kwam dan een opsomming van de feiten. Mijn zoon keurde het af. Hij stelde, dat ik het beter kon, de emoties ontbraken.

Ik herschreef het hele verhaal, waarbij ik mijn reis in 1957 meenam. Ik had bij een verhuizing het dagboekje van die reis teruggevonden en het plakboek dat ik heel precies had bijgehouden. Na de dood van mijn vader in 1953 was ik de mist ingegaan. Ik herontdekte mijzelf in 1957 op het emigrantenschip de ‘Waterman’, op weg naar haar, waar ik toevallig belandde in een internationaal studentenmilieu en mezelf overeind kon houden. Mijn talenkennis en eruditie leverden zekerheid en zelfbewustzijn op. Ik ontmoette een deftig Belgisch meisje Anne Vanbiervliet dat ik schuchter in het Frans het hof maakte. Mijn tijd op de Riverview Rural Highschool leverde ook romantische verhalen op.

Die aantekeningen had ik ooit tot verhalen verwerkt, te mager om er een boek van te maken. Ik  herschreef het verhaal zodanig, dat de twee of drie tijdstippen met elkaar een caleidoscopisch maar samenhangend verhaal opleverden: de hoofdstukken werden korter, toen en nu liepen in elkaar over. De mislukking van haar huwelijk werd ook duidelijker. In het koffertje met oude foto’s en brieven vond ik twee brieven waarin ze haar dood aankondigde, waardoor haar dood een ontroerend onderdeel van het boek werd. Ik vond daarin ook veel documentatiemateriaal, dat de authenticiteit vergrootte.

Pier 21 was mijn oorspronkelijke titel; een collega-schrijver stelde De rots voor. Die rots lag voor haar zomerhuisje in het meer en was nu afgesleten, metafoor voor de voorbijgegane tijd. Een bevriende kinderboekenschrijver stelde een ondertitel voor.

Toch was ik nog niet tevreden: ik wilde een beginzin hebben die eigenlijk de inhoud van het boek samenvatte in een emotionele stijl. Twee beginzinnen stonden model: de eerste zin van Narzis und Goldmund van Herman Hese en de beginzinnen uit Casanovas Heimfahrt van Arthur Schnitzler waarin de slingerende gemoedsbewegingen van Casanova fraai worden weergegeven. Het werd één lange zin, door dochter en kleindochter afgekeurd. Er kwam een compromis uit, maar ik vind het wel de mooiste zinnen uit het boek geworden, die de lezer meteen in de wat melancholieke sfeer brengen.
Herlezen, schrappen, veranderen, komma’s, aanhalingstekens, leestekens: zowel dochter als kleindochter besteedden er tijd aan, de uitgever was heel streng. Tenslotte heb Ik nog een paar gedichten toegevoegd uit mijn laatste bundel De wereldreis van lijn 11.

Nu ligt het er. Ik ben er gelukkig mee al zou ik sommige zaken nu anders doen: typografie, aspecten, vooruitkijken, terugkijken, suggereren. Maar ik vind dat de slotzinnen waarin de rots figureert mooi bij de beginzinnen passen. De cirkel is rond.
Met de uitwerking van de aantekeningen uit 1957 erbij heb ik er al met al een jaar of vijf aan gewerkt, waarbij het schrijven zelf twee jaar kostte.
‘Schrijven gaat ook van Au !’
O ja, Anne Vanbiervliet leeft nog, ze spreekt en schrijft nu uitstekend Nederlands, maar mij herinnert ze zich niet meer.

Geplaatst in Column.