Atze van Wieren – Swannesang

Een samenzang van dichter en vertaler

door Paul Roelofsen




Swannesang is een tweetalige bloemlezing waarvan de vertaling van Klaas Bruinsma in het Fries door de dichter zo respectabel wordt gevonden dat de titel van de bundel in het Fries wordt geschreven. Deze betekent in het Nederlands zwanenzang, dat is wel duidelijk, maar slaat niet op de gedichten van Van Wieren maar op de vertalingen daarvan door de ‘Meester van Talen’ Klaas Bruinsma die kort hierop in 2018 overleed. Hij vertaalde onder meer Homerus, Ovidius (Metamorphosen), Lorca en Sartre naar zijn ‘memmetaal’.
De bloemlezing bevat gedichten uit eerdere bundels van Atze van Wieren (Grondstof, Bedevaart en Eeuwig leven) gevolgd door een verslag van de vriendschap tussen de dichter en Bruinsma in het Nederlands en nog enkele bladzijden lovende woorden voor de vertaler in het Fries.

De gedichten zijn eenvoudig van vorm en woordkeus, de toon is wisselend, van zacht en toegewijd tot spottend en opstandig.
In de poëzie uit Grondstof spelen de jongensjaren en ouders van de dichter een belangrijke rol en daarnaast komen het Friese land en haar gewassen ruimschoots aan bod; aan de suikerbiet bijvoorbeeld wordt een zesdelige cyclus gewijd!
Wat bij laatstgenoemde gedichten opvalt is de personificatie van de objecten waarover Van Wieren schrijft; er wordt niet over de biet gesproken, nee het is de biet zelf die spreekt. Ze zijn vaak licht melancholisch en nostalgisch van sfeer.
In chronologische volgorde enkele fragmenten uit de gedichten van de suikerbietcyclus; een curriculum vitae van de biet zou je kunnen zeggen.

Uit: Te hoop

Wij zijn te hoop gegooid,
wij liggen bleek en bloot
en onmiskenbaar dood
langs smalle, stille wegen.
(…)
wij liggen op een bietenvaalt,
nog wel bijeen maar zonder hoop.

Uit: Bietengor*

Ik lig hier in de bietengor
te wachten op wat komen gaat.
De reis was rommelig en ruw,
nog zeurt het in mij na
hoe om mij heen gefluisterd werd
wat ons te wachten staat.

Uit: Suiker

Dat ik aan het licht zou treden,
dat alles wat mij eerst omgaf
wat zwaarte bracht en zicht benam
van mij is weggenomen,
wie had dat ooit gedacht.

Uit: Vierverlaten*

Wij zijn geraffineerd
tot op de laatste vezel
uitgeloogd en afgedroogd,
een helletocht ligt achter ons.

(…)

Nu gaat wat van ons rest
in rook omhoog.

(…)

Loodrecht gaan wij de hemel in.

*Een bietengor is de opslagruimte van een suikerfabriek, Viergelaten is een gehucht met de suikerfabriek waar de dichter op doelt.

Door het zich verplaatsen in de suikerbiet krijgt de cyclus voor mij een aanzienlijk grotere gevoelswaarde dan wanneer de dichter van zichzelf was uitgegaan. Een enkele maal spreekt Van Wieren de natuur ook toe alsof deze een luisterend oor voor hem zou hebben. Meestal zijn deze gedichten weemoedig en nostalgisch van aard.

Herfsttuin

Weet je nog hoe ooit
je appels zich kleurden,
jouw peren zich vormden
naar mijn hand?
Hoe het sap van je kers
liep langs mijn mond,
hoe ik zonder te weten
mijn zomers verslond?

(…)

Uit de bundel Bedevaart zijn verzen geselecteerd die zestien dorpskerken belichten, met name hun geschiedenis.
De dichter schrijft er liefdevol over, religieuze gevoelens zijn hem niet vreemd. Maar als overtuigd spinozist is zijn God de kosmos zelf en niet die van zijn vertaler die vasthoudt aan de leerstellingen van de kerk (Bruinsma schijnt daar bij het vertalen moeite mee te hebben gehad).

Kerk te Bornwird

Welke goden zijn hier
aangeroepen om vrucht
te doen dragen en vervloekt
als de godganse boel
weer eens onder water liep.

Jezus Christus
was nog in geen velden
of wegen te bekennen.
Van brons kenden ze het geheim,
van over water lopen niet.

(…)

Van de gedichten uit Eeuwig leven valt mij een titelloos prachtig gedichtje op dat refereert aan de vader van de dichter. Ik citeer het ook in de vertaling als postuum eerbetoon aan Klaas Bruinsma.

Vannacht zag ik mijn vader weer.
Hij was zo jong, hij leek op mij.
Ik was heel blij, verrast
een onderscheiding op zijn jas te zien.

Hoe komt hij toch daaraan, dacht ik,
en waarom weet ik van niks.
Hij kwam niet dichterbij, het ereteken
fonkelde, wierp licht naar mij.

Fannacht seach ik ús heit ris wer.
Hy wie sa jong, hy lik’ op my.
Ik wie hiel bliid, ferrast
in ûnderskieding op syn jas te sjen.

Hoe komt er dochs dêroan, tocht ik,
en wêrom wit ik dêr neat fan.
Hy kaam net tichterby, it eareteken
fonkelde, striele ljocht nei my.

Een bijzondere bundel, ook voor hen die de Friese taal niet machtig zijn.
____

Atze van Wieren (2020). Swannesang. Friese vertaling van Klaas Bruinsma. Uitgeverij Elikser, 200 blz. € 17,95. ISBN 9789463652605

Geplaatst in Recensies.