Geert Buelens – Ofwa

Kale gedichten, felle pamfletten

door Herbert Mouwen




Geert Buelens is hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Utrecht en dichter. Ofwa is zijn vierde oorspronkelijke dichtbundel na Het is (2002), Verzeker u (2005) en Thuis (2014). De bundel bestaat uit drie gedichten, namelijk ‘Ofwa’, ‘Dode hel’ en ‘Kloof’. Het gedicht ‘Ofwa’ gaat over communicatie, informatie en social media, ‘Dode hel’ over de klimaatcrisis en in ‘Kloof’ wordt de mens een somber toekomstperspectief voorgehouden. De achterzijde van de bundel bevat geen commerciële aanbeveling van de uitgever, maar een poëticaal gedicht van de dichter zelf, waarin hij de onderwerpen van zijn gedichten en zijn opvatting over de lyriek in deze bundel noemt: ‘met lyriek heeft dit niks meer te maken / wie wil daar nog iets mee te maken / hebben / estheten ofwa / proleten ja’. De lezer weet wat hij kan verwachten of misschien ook niet, want de gedichten hebben een persoonlijke scherpe toon van ‘zeggen waar het op staat / alles tegen iedereen’. De eerste twee gedichten worden voorafgegaan door een In memoriam van een of meerdere bekende personen, die een belangrijke rol hebben gespeeld wat betreft het actuele thema van het gedicht zelf.

De titel van de bundel (en van het openingsgedicht) is opmerkelijk: Ofwa. Het woord is een stoplap in een gesprek. Het heeft een vragende functie, drukt verbazing of verontwaardiging uit en behoort tot het Vlaamse taaleigen. Het heeft de betekenis van: niet dan? nou, durf het eens tegen te spreken?! Het woord is uitdagend en confronterend en vanuit het perspectief van de dichter drukt het woede en ergernis uit. Het is de vraag of het titelgedicht ‘Ofwa’ één doorlopend gedicht is of dat op elke pagina een nieuw gedicht staat. Dat is niet helemaal duidelijk, temeer omdat de gehele tekst ook een keer onderbroken wordt door een blanco pagina en er op drie pagina’s slechts één versregel staat.

Het eerste gedicht wordt voorafgegaan met een ‘In memoriam’ van drie politici. De eerste is de jonge Jo Cox, een politica van de Labour Party die zich een week voor het referendum in 2016 uitsprak tegen uittreding van Groot-Brittanië uit de Europese Unie en vermoord werd. De tweede is de Duitse CDU-politicus Walter Lübcke, die door extreemrechtse extremisten in 2019 in Kassel werd omgebracht. Paweł Adamowicz, de burgemeester van Gdańsk, is de derde naam; hij werd tijdens een benefietbijeenkomst in 2019 neergestoken. Het in herinnering brengen van deze drie namen verhoogt de actuele lading en de ernst van het gedicht ‘Ofwa’.

en wie luistert er nog
wie
sorry dat ik het zo vlakaf zeg
maar
wie
luistert er nog echt

De dichter heeft zich eerder in zijn gedicht al tot zijn lezers gewend, specifiek tot de ‘jongeren / vergroeid met hun apparaat / altijd een antwoord klaar’. Maar hij spreekt de mensen in het algemeen aan, niet alleen de jongeren. Ze luisteren niet meer, denken niet zelf meer en willen niet meer door anderen geïnformeerd worden. Kortom, ze communiceren amper, zo sterk zijn ze geïndividualiseerd. Geleidelijk wordt in dit gedicht duidelijk waaraan de dichter zich stoort, hoewel hij zijn misnoegen niet echt concreet vermeldt. Buelens noemt onder andere het ‘volstrekte gebrek aan initiatief’ of ‘alternatief’, de ‘101 vormen van inspraak’, alsook het gebrek aan ‘grandeur’ en ‘gevoel voor traditie’. Uiteindelijk stelt hij vast: ‘wordt het eens geen tijd / er een punt achter te zetten’ en stelt hij de vraag: ‘versteende scepsis en schroot / wat denk je daarmee te bereiken’. Het zijn boos klinkende woorden, die het verdienen hardop gelezen en uitgesproken te worden, maar op papier net iets te zweverig zijn. Metaforen hebben zo een belemmerend effect en geven soms de indruk dat de dichter eromheen draait. Dat is zeker niet zijn doel, daarover kan geen misverstand bestaan.

Een herinnering aan Chico Mendes gaat vooraf aan ‘Dode hel’, het tweede gedicht. Hij was een Braziliaanse rubbertapper en vakbondsleider die zich geweldloos verzette tegen het verdrijven van de indianen van hun grondgebied en dat in 1988 met zijn leven moest bekopen. De klimaatcrisis staat centraal in dit gedicht. Onderwerpen als voedselproblematiek, de snelle bevolkingsgroei, droogte en overconsumptie komen voorbij. De manier waarop de lezer aangesproken wordt, is harder en een cynischer dan in het eerste gedicht. Weliswaar klinkt in een van de laatste fragmenten nog een sprankje hoop: ‘Wie niet weggespoeld is / is gezien / Wie het hoofd buigt / krijgt misschien / een tweede kans’, maar de slotregels van het gedicht eindigen minder hoopgevend:

Een nieuw begin
zit er niet in
respijt
misschien

Het slotgedicht ‘Kloof’ gaat in op hoe de mens geboren wordt en op de verbeelding van een aantal ontwikkelingsmogelijkheden in de wereld van vandaag. De toon is scherp. De woorden ‘Of je kunt’ koppelt deze mogelijkheden als een rijgsnoer aan elkaar. Zo ziet het gedicht qua vorm er ook uit. Uitgangspunt is telkens de je-figuur die uit ‘de kelder’ komt en nu op ‘een weiland’ staat. Als lezer denk je dan: sta ik hier ook? Behoor ik ook tot deze groep? Heeft verandering enige kans? Nee dus, de mogelijkheden zijn confronterend en beschamend voor de lezer, wanneer hij zich aan het eind van het gedicht hierin herkent:

Je betaalt de hulp
net boven het minimum
hebt geleerd dat net voldoende
schaamtevol
te doen

In ruil voor hun arbeid
laat je alles
zoals het is

De drie gedichten kennen een structuur van korte zinnen, fragmenten van zinnen en soms losse woorden. Inhoudelijk kunnen ze gezien worden als emotionele erupties, als verwijten of noodkreten. Het is bewustwordingspoëzie. Het wit van de bladzijde waarop de teksten zijn afgedrukt, is van betekenis. Niet dat dit wit de teksten isoleert, integendeel, het lijkt alsof de gehele pagina gevuld is met dit soort uitingen. Het ene moment komen ze bij de lezer over als spreekteksten dan weer als reflectieve uitingen of gedachten van de dichter. De vormgeving van de voorkaft van de bundel is een veelzeggend woordveld dat deze opvatting ondersteunt. Om de tekst op één bladzijde op te vatten als één gedicht is mogelijk, maar dan zijn het wel titelloze gedichten. Alleen in het tweede en derde gedicht worden in beperkte mate hoofdletters gebruikt. Het letterlijk of vrijwel letterlijk herhalen is een veelvuldig toegepast stijlmiddel. De lezer wordt bestraffend toegesproken, hoewel er perspectiefwisselingen plaatsvinden tussen ‘ze’, ‘je’ en ‘we’. De gedichten zijn bij uitstek geschikt om als poetryslam op het podium gebracht te worden. Al heeft Buelens het in ‘Dode hel’ nog over ‘Een keuzemenu van schuld’, vrijblijvend is de boodschap niet en niemand kan zich aan zijn verantwoordelijkheid onttrekken. De bundel maakt duidelijk: er valt niets te kiezen. Gedragsverandering is een bittere noodzaak. Voor iedereen. Ofwa?
____

Geert Buelens (2020). Ofwa. Querido, 76 blz. € 10,00. ISBN 9789021423968

Geplaatst in Recensies.