Ellen Deckwitz – Dit gaat niet over grasmaaien

Op het gazon: Ellen in de zon

door Marc Bruynseraede




Laten wij de dichters eren want, zoals Al Galidi schrijft in de speciale boekenweekeditie van Awater: ‘Als je goede poëzie leest, voel je jezelf een mens, een waardevol wezen dat gevoel kan hebben voor kunst, voor natuur, zelfs voor heldhaftigheid en liefde. Dit, in tegenstelling tot het lezen van filosofie of van geschiedenis, waarbij je je als mens kleiner voelt en bloederiger ook.’

Allemaal goed en wel, maar wat als je je, als jongere, niét aangetrokken voelt door poëzie; als ze je koude rillingen bezorgt; als je niet weet hoe er aan te beginnen. Wat dan? Dat beginnen, dat staat in het lessenrooster, op de middelbare school. Blijkbaar tot afschuw van nogal wat jongelingen die eerder bezig zijn met sociale media en daar enig heil in zien.

Ellen Deckwitz vond de tijd rijp voor wat lezenswaardig proza over de vraag hoe je poëzie leest, afgestemd op het scholierenpubliek maar ook nuttig voor volwassen poëzie-profanen die met lange tanden op het consumeren van gedichten toezien.

In de Poëziekrant noemt Carl De Strycker haar gids een ‘Eerste hulp bij poëzie’. Want, zegt hij: ‘poëzieliefhebbers moeten zich vaak verantwoorden voor hun plezier om schijnbaar rare teksten die je vaak niet meteen snapt te lezen. En omgekeerd zijn poëzielezers toegewijde bekeerders die de behoefte voelen om anderen van hun passie te overtuigen.’ Daar heeft hij overschot van gelijk mee.

Ellen Deckwitz wil echter zieltjes winnen voor de poëzie. Eerder al had de schrijfster zich in het genre geoefend door het werk Olijven moet je leren lezen – Een cursus genieten van poëzie. Misschien was het woordje ‘cursus’ er teveel aan, voor een moeite schuwend, angstig jong leespubliek. Er diende dus naar een toegankelijkere formule uitgekeken te worden. Dat werd dan de huidige bloemlezing: Dit gaat niet over grasmaaien, met de uitnodigende ondertitel Hoe lees je poëzie. Want ‘lezen’ lijkt me al een stuk ontspannender en minder ‘van moetens’ dan ‘cursus volgen’. Het ‘lezen’ heeft meer iets van lekker languit liggen op het gazon, onder de zon.

Bij het poëzieonderricht, kreeg de schrijfster bij herhaling vragen van jongeren voorgeschoteld als: ‘Waarom kan poëzie niet over alles gaan’, ‘Hoe kan poëzie helpen om jezelf te begrijpen’, ‘Waarom gaat poëzie regelmatig over zware dingen’, ‘Hoe vind ik poëzie die mij aanspreekt?’ of nog: ‘Hoe weet ik of een gedicht slecht is?’ Nog een goeie is: ‘Wat is het beste gedicht aller tijden?’

Met andere woorden: kan poëzie je uit de banaliteit optillen en haar veredelende taak aanvatten als je niet weet of een gedicht ‘goed’ is. ‘Wat je goed of slecht vindt’ zo meent Deckwitz ‘is deels een kwestie van smaak en ervaring’. Dat klinkt aannemelijk. Laat ons zeggen: ’t is een begin.

Een vraag die niét gesteld wordt in dit werkje, maar vaak onder andere vragen verborgen ligt, is: ‘Waarom moet poëzie altijd zo moeilijk en/of onbegrijpelijk zijn?’ Paul Celan zegt hierover: ‘Verwijt ons niet het gebrek aan helderheid, want daar maken we juist onze stiel van’. In het Frans klinkt het nog mooier: ‘Ne nous reprochez pas le manque de clarté puisque nous en faisons profession’. Is deze uitspraak bij machte om een bevredigend antwoord te geven op de vraag wat goed en wat slecht is; wat begrijpelijk is of niet en waarom het in poëzie over ‘zware dingen’ gaat. Ellen Deckwitz poogt met haar vlot leesbare stukjes de indruk te wekken dat poëzie zo klaar is als pompwater en dat je er je weg in kan vinden, als je maar lang genoeg zoekt. Zelfs als het pompwater troebel blijkt te zijn, stelt zij (vrolijk huppelend?) zou dat niet onoverkomelijk moeten zijn.

Dit gaat niet over grasmaaien geeft een antwoord op zoveel jongerenvragen door -hoe kan het ook anders – onvolledige, simplifiërende en onderhoudende voorstellingen, maar die een ‘entree’ tot de dichtkunst kunnen zijn. De wereld is immers een broek vol miserie, opgehouden door de bretellen van de hoop. Meestal doen we alsof we er niets van merken. Maar de poëzie maakt dit juist aanschouwelijk. Soms zelfs amusant, waar met taal gejongleerd wordt, als met het schaartje/elastiekje van Cees Buddingh, bijvoorbeeld. Poëzie legt niet zelden de vinger op de wonde van pijn, gemis, verlangen. Het is één wenen en tandengeknars. Maar kan ook een lichtpunt zijn in existentiële kwesties.

Hoeven we ons zorgen te maken over het begrijpen van de poëzie? Ellen Deckwitz vindt, met haar kennis van zaken, dat ‘je het niet allemaal hoeft te begrijpen’, hoewel de lezer daar meestal toe geneigd is; ja, er zelfs hartstochtelijk moeite voor doet. Blijkt, na de lectuur van het betreffende gedicht, dat je er geen snars van begrepen hebt: geen nood. Je bent niet de enige. Mysterie is inherent aan het genre. Intussen heb je wel een leuk stukje in Dit gaat niet over grasmaaien gelezen. Met een savoureus gedicht erbij en nog wat aanwijzingen voor belendende poëzie.

De binnenflap van de voorkaft waarschuwt de kandidaat-koper al: ‘Fijn, slim, grappig en persoonlijk’ en ‘Een geweldige, vermakelijke en daardoor zeer besmettelijke cursus genieten van poëzie’. Het kan voor de aarzelende poëzie-verkenner niet meer stuk gaan. De achterflap voegt er nog aan toe dat ‘het lezen van poëzie je een veel betere minnaar kan maken’. Toe maar.
Ons geluk kan niet meer op.
____

Ellen Deckwitz (2020). Dit gaat niet over grasmaaien. Uitgeverij Pluim, 144 blz. € 19,99. ISBN 9789083095318

Geplaatst in Recensies.