Ellen Deckwitz – Olijven moet je leren lezen

‘Wat hebben we nu eigenlijk aan poëzie?’

door Hans Puper

Na het handboek Zo word je een geweldige dichter heeft Ellen Deckwitz Olijven moet je leren lezen geschreven. Het is de meest aanstekelijke introductie in het lezen van poëzie sinds Koen, maak je mijn schoen? van Willem Wilmink uit 1983 – ze was toen twee. Niet alleen voor beginnende lezers is dit boek interessant, maar ook voor ‘gevorderden’.

Deckwitz is een optimiste en dat moet je ook zijn als auteur van zo’n boek. Kloos meende dat poëzie ‘een gave van weinigen voor weinigen’ is (en velen zeggen hem dat ook nu nog na), maar zij ziet het gegeven dat meer dan een miljoen Nederlanders en Vlamingen gedichten schrijven als een bewijs voor het tegendeel. Alleen: een aanmerkelijk lager aantal liefhebbers léést poëzie. Bundels hebben een gemiddelde oplage van 300 exemplaren en die belanden meestal ook nog eens voor een deel in de ramsj.
Koudwatervrees, denkt Deckwitz. Mensen denken dat ‘echte dichters’ moeilijk zijn, maar in wezen gaat het erom dat ze nog de vaardigheden missen om een gedicht te lezen. De oorzaken daarvan laat ik hier buiten beschouwing.
Het boek telt drieëntwintig hoofdstukjes die hun basis hebben in haar columns in nrc.next. Om een idee te geven een paar titels: ‘Waarom zeg je niet gewoon wat je bedoelt?’; Waarom worden regels halverwege afgebroken?’; ‘Is alle poëzie mooi?’; ‘Muziek en poëzie’; ‘Poëzie op het podium’. Ieder hoofdstukje begint met een gedicht en eindigt met leestips, ook over essaybundels et cetera. Jenna Arts voorzag het boek van aantrekkelijke illustraties.

Tot mijn plezier wijst Deckwitz erop dat een dichter achter zijn gedicht verdwijnt als het af is. In een goed gedicht heb je hem of haar niet nodig, want dat kun je ook lezen als je niets van de dichter weet. Of het misschien autobiografisch is, doet er in wezen niet toe.
Ze ruimt ook een wijdverbreid misverstand uit de weg: een gedicht kan niet alles betekenen wat iemand er in ziet. Vaak kun je het op verschillende manieren interpreteren, maar dat doe je op basis van de tekst. Je leest wat er staat en niet wat je denkt of wilt dat er staat. De vaststelling ‘Ik zie dat nou eenmaal zo en daarmee uit’ kan als onbruikbaar de prullenbak in.
Het in stukjes knippen va een zin is voor menige beginner een eyeopener. Deckwitz gebruikt een prachtige voorbeeldzin: van ‘Ik wil je kussen op je bed leggen’ maakt ze ‘Ik wil je / kussen op je bed / leggen’. Met zo’n voorbeeld heeft ze in haar workshops direct de aandacht van tieners, dat weet ik wel zeker. (Ze geeft die onder andere op havo, vwo en in het hoger onderwijs, maar ook op het vmbo en in het mbo. Ik vind dat geweldig: poëzie is niet alleen voor hoger opgeleiden, zoals wel eens gedachteloos wordt aangenomen, maar voor iedereen).

Haar opmerkingen over de leeshouding zijn verhelderend. Een gedicht lees je anders dan andere teksten; dat zie je bijvoorbeeld aan de werking van ready-mades. Daarin is een gesproken of geschreven tekst gedicht geworden en dat lees je langzamer, aandachtiger en met meer aandacht voor de taal.
Een gedicht is ook niet altijd geheel begrijpelijk. Het is goed om dat te accepteren – dus op te nemen in je leeshouding – want een goed gedicht biedt veel meer dan de inhoud, die bovendien lang niet altijd uit een anekdote met een pointe bestaat. Neem het gedicht van Tonnus Oosterhoff dat zij als voorbeeld heeft opgenomen:

Mijn jongste broer ligt in het graf,
al twintig jaar. Mijn oudste broer
is blij, hij danst en springt altijd,
geeft een partij, hij belt: kom ik?
‘Je stem klinkt krakerig.’
‘Wat kraakt?’ Ja, wat? Wat kraakt?
Toen rende ze al voor me uit.

Toen rende ze al voor me uit,
zeventien pas. Mijn oudste broer
zo jong als men je voelt ha ha
gekraak nietwaar geen woorden kwam.
De god van veren pakt zich om
het middel vast. Duinhelling af.
Mijn jongste broer ligt in het graf.

(Uit: Ware Grootte, 2008)

Ik zie hier geen samenhangend geheel in en misschien hoeft dat ook niet. Maar ik vind het een intrigerend gedicht en daardoor keer ik er steeds naar terug. Dat komt onder andere door de mooie regel: ‘Toen rende ze al voor me uit’, gevolgd door een witregel en een letterlijke herhaling, met de toevoeging ‘zeventien pas.’ Maar wie zij is, weet ik niet en ook niet waarom ze al is weggerend, al kun je daar wel naar gissen.

Ook voor ‘gevorderden’ is het boek interessant. Het nodigt uit tot reflectie en discussie. Zo vind ik gedichten over actuele gebeurtenissen over het algemeen niet interessant, tenzij ze daar bovenuit stijgen, zoals ‘Het lied der achttien dooden’. Er zijn nog maar weinigen die weten welke gebeurtenissen Jan Campert aanzetten tot het schrijven van dit gedicht: de doodstraf voor drie organisatoren van de Februaristaking en vijftien leden van de verzetsgroep ‘de Geuzen’ wegens sabotage. Maar het lijden onder tirannie is helaas in iedere tijd herkenbaar.

Toch heeft Deckwitz me er met goede voorbeelden van overtuigd dat poëzie niet altijd voor de eeuwigheid geschreven hoeft te worden, om het eens overdreven te zeggen. Een citaat: ‘Vaak zwengelde zo’n gedicht nieuwe gesprekken aan, doordat het nieuwe invalshoeken toonde. Doordat het betekenissen verbond. Doordat het verwoordde wat er veranderd was in onze hoofden. Doordat je bepaalde dingen nou eenmaal niet kan zeggen in een speech of persbericht, maar wel in een gedicht.’ Ze heeft gelijk.

Een ander discussiepunt voor mij is haar stelling: ‘Er is bij poëzie geen inhoud zonder vorm.’ Dat is zo, maar dat geldt voor het proza van Reve ook. Maar zo ruim bedoelt ze het niet, getuige de zin daarna: ‘Een gedicht dat zich laat samenvatten, om het met Ezra Pound te zeggen, is geen gedicht.’ Een uitspraak die me zeer ter harte gaat. In poëzie die ik echt goed vind, zijn vorm en inhoud te onderscheiden, maar nooit te scheiden: als je iets verandert aan de vorm, verandert ook de inhoud en voor het omgekeerde geldt hetzelfde. Maar niet bij alle poëzie is dat zo. Du Perron bijvoorbeeld beschouwde de vorm van een gedicht als niet meer dan een glas waarin je de wijn van de inhoud giet; de vorm van het glas deed er niet zoveel toe. Het ging hem om de inhoud en de persoonlijkheid van de dichter die daaruit sprak. Hij stond daarmee lijnrecht tegenover de opvattingen van Van Ostaijen, Nijhoff en uiteraard Pound.

Ik weet zeker dat Deckwitz met dit boek een aantal potentiële lezers definitief over de streep trekt, ook in het onderwijs. Ze schrijft helder en is niet gespeend van humor: ‘Vergelijken blijft de beste manier om iets uit te leggen wat de ander nog niet kent. Iedereen die weleens verliefd of religieus is geweest, weet wat ik bedoel.’
Een aanbevelenswaardig boek.

***

Ellen Deckwitz (1981) debuteerde met De steen vreest mij, waarvoor zij de C. Buddingh’-prijs 2012 kreeg. Daarna verschenen o.a. De blanke gave en het boek Zo word je een geweldige dichter, beide in 2015.
In 2009 won zij de Meander Dichtersprijs en het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam.

Geplaatst in Recensies.