Tania Verhelst – Twee Helften

Wee en moed dichten

door Wim Platvoet




Twee Helften is de debuutbundel van Tania Verhelst (Oostende 1974). Zij tekent en schrijft, en maakt deel uit van het dichterscollectief ‘Obsidiaan’. Ze publiceerde eerder in Het Liegend Konijn, De Gids, Deus Ex Machina en Kluger Hans. Wat bij mij overheerst bij het lezen van deze bundel is een gevoel van weemoed dat door de meeste gedichten wordt opgeroepen. Wendingen als ‘hoe graag zou ook ik’, ‘je zou wel willen’, ‘is het niet’ en ‘misschien zijn (hebben) wij’ bepalen heel sterk de sfeer. Er is weinig hoop, weinig tevredenheid ook met de situatie zoals die is. Tegelijkertijd wordt dit uitgedrukt in zinnen die nogal realistisch zijn, suggereren een reële situatie uit te drukken, geen ruimte laten voor ambivalentie, of de mogelijkheid bieden de gegeven situatie vanaf een zekere (relativerende?) afstand te beschouwen. De gedichten drukken een zekere weemoedige onmiddellijkheid uit, waaraan niet te ontkomen lijkt te zijn. Degene die dit herkent zal van deze gedichten kunnen genieten, hoewel genieten van uitsluitend weemoed iets bizars heeft.

De bundel (met vijf aquarellen van Tania Verhelst) bestaat uit vijf getitelde afdelingen: ‘Twee helften’, ‘Schets voor een vleugel’, ‘Oefeningen in wat later heet’, ‘Habitat’ en ‘Stemmen uit het ongewisse’. De eerste afdeling heeft dezelfde titel als de bundel als geheel: ‘Twee Helften’. Deze titel doet denken aan het bekende mythologisch liefdesthema van Plato’s Symposium: de goden hebben ‘menselijke’ wezens gesplitst in twee helften. Elke helft voelde zich onvolledig en ging daarom op zoek naar een aanvullende helft. Dit thema heeft Tania Verhelst omgezet in het gevoel van weemoed, dat niet zozeer verwijst naar iets dat er ooit was, maar eerder naar iets dat er nooit is geweest is of zal zijn, iets dat, in de beleving van het gedicht, intrinsiek onmogelijk is. Het gedicht ‘In het groot en in het klein’ schrijft: ‘en wij schrijven lange brieven naar adressen die we verzinnen / of alleen bestaan in liedjes voor het slapengaan’.

Ik hoop niet dat dit gedicht op deze manier voor mij als ‘verzonnen’ lezer is geschreven – hoewel ik me heel goed voor kan stellen dat mensen (‘wij’) dit gevoel hebben bij de lange [!] brieven die zij schrijven. In het volgende gedicht ‘Tijd’ wordt hetzelfde gevoel opgeroepen, omdat er sprake is van een hij, die ‘je lange brieven schrijft van huid naar huid / in een taal die je niet lezen kunt’.

Een ander gedicht; ‘Maaike Kerrebroeck’, uit dezelfde eerste afdeling is een stadsgedicht dat werd geschreven naar aanleiding van een kleine, doodlopende straat in Brugge met het naambordje: ‘Maaike Kerrebroeck, slachtoffer heksenverbranding 1734’. Een zeer prijzenswaardig initiatief om dit slachtoffer een straatnaam te geven én haar te verrijken met een gedicht. De keuze van de persoon, die niet had voorzien dat zij een straat zou worden, zoals de tweede regel opmerkt, is ook zeer gelukkig. De informatie die de vierde regel geeft: ‘en allicht was zij liever een autostrada geweest’ is voor mijn gevoel volstrekt overbodig, en past misschien goed binnen de weemoedskijk van de bundel, maar niet binnen dit gedicht. Ook vind ik het jammer dat het gedicht niet ingaat op dat waarvan MK werd beschuldigd, en dat op een of andere manier aan de kaak stelt of actualiseert.

In de tweede afdeling ‘Schets voor een vleugel’, die als motto een citaat uit het Boek der rusteloosheid van Pessoa heeft, krijgt de weemoed inderdaad een rustelozer karakter. Het eerste gedicht ‘Ondergronds’ opent al met de weinig opwekkende regels:

wat als wij ophouden
en ergens aan de rand van een weg
blijven staan

de plaats innemen van lantaarnpalen
met het hoofd gebogen wachten tot het donker wordt
om dan in kringen te verschijnen, de straat is ons podium

(…)

Ik denk dat dit gedicht voor zich spreekt. In die zin komt de rusteloze weemoed tot rust.
Hetzelfde geldt voor het tweede gedicht van deze reeks ‘Alice’, dat opent met de regels ‘ik hou van plekken van verloren tijd / waar mensen noodgedwongen wachten’, om te eindigen met de volgende regel: ‘op een trein waarvan ik wou dat hij nooit kwam’. Een vreemd verlangen om van te houden – maar degene die dit gevoel herkent moet zeker dit gedicht lezen, en heeft daarbij hopelijk niet de ervaring die wordt uitgedrukt in een ander gedicht van deze afdeling ‘Treinverzen’, nl. van ‘dat ene vers dat zich verveeld voortplant’.

De derde afdeling, getiteld ‘Oefeningen in wat later heet’, reflecteert, naar ik aanneem, in het gelijknamige tweede gedicht van die afdeling op zo’n oefening. In de eerste regel stelt het ‘dat er vroeger meer op straat werd gekust / en of de straat dat mist’. Ik laat aan de lezer over of de derde strofe zo’n oefening beschrijft:

als we maar buigen
als we maar diep genoeg buigen krijgen we een vaag idee van wilgen
of we wilgen willen zijn, de vingers lang in het water
elkaar schaduw toewerpen zoals je met kushandjes doet
elkaar schaduwen tout court, schaduw aanbrengen op ogen
waarin we zelf zouden willen kijken
ons oefenen in wat later heet

De vijfde en laatste strofe van dit gedicht eindigt met de twee openingsregels. De straat blijft mistig.

In de vierde afdeling ‘Habitat’ schrijft Verhelst in het gelijknamige openingsgedicht van deze afdeling:

soms zou je niet meer
dan een paar woorden willen zijn

de spankracht van wat je niet benoemen kunt als een zeepbel boven je handen houden
de bel vangen in niet meer dan een paar woorden wat niet lukt wat nooit lukken zal

Wie wil weten of de dichter in deze woorden haar habitat uitdrukt, raad ik aan de bundel in zijn geheel te lezen.

Er zijn ook dichtregels die de weemoed omzetten in kritiek: ‘iemand kruist je geslacht aan / alsof je geslacht als een kruis in een vakje past’, of ‘de hemel is ons kraakpand’. Ook het tot twee keer genoemde afschroeven van een hoofd of kop is tenminste een duidelijke actie.

In de laatste afdeling ‘Stemmen uit het ongewisse’, overheerst echter weer de negatieve weemoed, het verlangen iets anders te zijn. Het openingsgedicht ‘Wij’, dat als motto een vers uit het Johannes-evangelie citeert: ‘en het woord is vlees geworden’, maakt met mensenwoorden duidelijk dat het liever had dat er met dat woord iets anders was gebeurd:
‘had het woord niet in potgrond / of gewoon in aarde kunnen vallen / dan zouden bomen spreken, eindelijk // en waren wij niet beter bomen’.

Een tweede gedicht uit deze afdeling ‘Stort’ heeft ook als motto een vers uit het Johannes-evangelie : ‘ik ben de weg’, en is al even wanhopig: ‘waar wij wonen is geen weg’.

Ik wil besluiten met het aanhalen van een strofe van een titelloos gedicht uit deze slotafdeling die mij vrolijk stemt. Het gehele gedicht heeft als titel ‘Waar het stil is’ en kent VII titelloze gedichten, waarin een aantal plekken waar het stil is wordt aangeduid. Het bedoelde gedicht is het slot van gedicht II:

in het profiel van een man die zich zorgen maakt op zijn fiets
van zijn zorgen is aan zijn fiets niets te zien;
niet aan zijn spatbord, niet aan zijn ketting
niet aan zijn vering, niet aan zijn stembanden
en niet aan zijn reflectoren die

lichtgevende rondjes draaien in de nacht

Zo wil ik wel fietsen door de wereld.
____

Tania Verhelst (2020). Twee helften. Uitgeverij De Zeef, 72 blz. € 18.00. ISBN 9789493138254

Geplaatst in Recensies.