De wilsverklaring

door Hans Puper

De bril van Gerard viel stuk toen hij zijn mondkapje afdeed na een bezoek aan de apotheek. Daar begon het mee. Lezen en schrijven ging niet meer en ook zijn laptop bleef dicht. Hij had geen zin om in de rij de staan voor de winkel van de opticien, het was goed zo. Wie had ook alweer gezegd dat sommige mensen zo veel lezen dat ze aan denken niet meer toekomen? Nu kon dat nog, maar voor je het wist was het te laat.
Alleen zijn wilsverklaring kon hij nu niet afmaken, maar hij vond ongetwijfeld iemand aan wie hij het nog ontbrekende deel kon dicteren. Een handtekening kon hij ook wel zetten zonder goed te zien wat hij deed.

Van denken kwam niet veel, herinneringen drongen zich op. Hoe hij de eerste schooldag op het gymnasium een pakje shag had gekocht, Samson, vanwege die mooie leeuwenkop. En Mirjam, van wie hij had gehouden vanaf het eerste moment dat hij haar zag. Nooit verteld. Veel later had hij haar nog eens zien lopen met een enorme bal, zo te zien verwikkeld in een vertrouwelijk gesprek. Het had hem pijn gedaan. Dertig jaar later had een oude klasgenoot haar teruggezien op een reünie; ze zag er nog hetzelfde uit, zei hij. Een beetje ouder geworden. Ze had nog naar hem gevraagd.
Gerard ging nooit naar reünies. Hij had geen zin om te luisteren naar eindeloze verhalen over oninteressante levens. Zelf had hij ook niets te vertellen.
Hij zette een langspeelplaat op, dat ging nog wel zonder bril. Vinylplaten heetten die tegenwoordig. Hij wist nog wanneer hij die LP had gekocht, bij de V&D, met een platenbon die hij voor zijn dertiende verjaardag had gekregen. Crying time van Ray Charles. Vanwege de titel en de foto op de hoes van de blinde zanger met zwarte bril. Een schot in de roos, vooral dat tweede couplet van de titelsong. Hij zong het zacht mee. Now they say that absence makes the heart grow fonder, and that tears are only rain to make love grow. Well my love for you could never grow no stronger, If I lived to be a hundred years old.

Honderd zou hij zeker niet worden. Met die wilsverklaring moest hij opschieten, al verwachtte hij er niet veel van. Bij lichte dementie was je te goed voor een euthanasieverzoek, bij zware dementie wilsonbekwaam en dan mocht het niet meer. Maar niet geschoten was altijd mis. Als Luuk weer eens belde zou hij hem vragen langs te komen.

Bij V&D zag hij ook die lange jongen met het dunne haar, Lucas. Hij doorzocht met een glimlach de platenbakken, spottend en vriendelijk tegelijk. Hij zat in de tweede, maar was zeker drie jaar ouder dan Gerard. In de pauzes praatte hij veel, altijd met een groep jongens uit de hogere klassen om zich heen. In het examenjaar werden ze klasgenoten; Lucas was gezakt, omdat hij de vakken verwaarloosde die hem niet interesseerden. Hij debatteerde graag met zijn docenten, bij voorkeur over politiek en de noodzaak tot democratisering van de school. De Maagdenhuisbezetting lag nog niet zo lang achter hen. Hij kon geamuseerd lachen om de domme dingen die leraren tegen zijn opinies inbrachten, maar geen van hen nam het hem kwalijk, daar was hij te innemend voor. En hij was slim; leraren respecteerden hem. Gedichten schreef hij ook. Gerard kon zich nog maar één regel herinneren. ‘Van Heutsz, ik zwom in uw water’. Het ging over de tijd dat het water rond het monument werd gebruikt als pierenbadje en hij nog niet wist dat de generaal een massamoordenaar was geweest. Hij had het op het schoolplein voorgedragen aan Mirjam. Ze had stil geluisterd, verlegen. Ook de omstanders zwegen, maar een eindje verderop kregen twee meisjes de slappe lach.
Hij zakte opnieuw. Gerard was hem uit het oog verloren; wel had hij gehoord dat hij filmmaker was geworden. Art films. Op reünies zou je hem niet tegenkomen, dat wist hij wel zeker.

Waar Mirjam woonde wist hij niet en aan die klasgenoot kon hij het niet meer vragen. Hij had Gerard aangesproken voor de supermarkt. Of hij het was. Ja, hij was het. De klasgenoot was verhuisd naar het oosten van het land, vertelde hij. Hij logeerde een paar dagen bij zijn broer.
Winkelen werd lastig nu. Maaltijden kon hij ook niet laten bezorgen, want het opzoeken van telefoonnummers lukte niet meer. Maar de restaurants verkochten afhaalmaaltijden. Dan kon hij ook nog even naar buiten, zonder schroom. De mensen die hem zagen lopen, zouden denken: die man heeft een doel.

.                                                                                                      000

Er wordt beweerd dat alleen zij doodsangst kennen die in hun leven niet hebben gedaan wat ze hadden willen doen. Gerard had daar geen last van, al was zijn leven verre van volledig geweest. Dementie, daar was hij bang voor. Rondlopen in een verpleeghuis, in paniek, roepend om je moeder als een kind dat is verdwaald in een drukke winkelstraat. En de hele dag een luier om. De dood is niets misschien, het doodgaan alles. Mooie regel. Du Perron? Ed Hoornik? Bernlef? Hij wist het niet meer. Hoe dan ook, aan dat doodgaan konden nog jaren van ellende voorafgaan.

Er kwam geen wilsverklaring.

© Hans Puper
Geplaatst in Column.