Marjoleine de Vos – Hoe verschillig

Hink-stap-sprong

door Janine Jongsma




De vijfde bundel van Marjoleine de Vos (1957) is na acht jaar de opvolger van Uitzicht genoeg. De titel Hoe verschillig lees ik vooralsnog als ‘Hoe betrokken’. Achterop de bundel staat – buiten een jeugdige foto van de dichter in nonchalante houding – een gedicht met de titel: ‘Melancholie van het heden’. Dat is inderdaad de leidraad van deze bundel; de ik-figuur die melancholiek terugkijkt op haar leven en rondkijkt in haar leven. Het gemis van een geliefde, de vergankelijkheid, herinneringen en geluk staan centraal. Herkenbare thema’s in de poëzie, soms tot het zoetsappige toe uitgemolken ook, maar niet bij De Vos. Weemoedig zijn de gedichten zeker, maar nooit zwaarmoedig of sentimenteel, eerder troostrijk. Het lijkt alsof – terwijl ze schrijft – zij een hink-stap-sprong maakt in haar hoofd waardoor haar poëzie wint aan gelaagdheid. Ze hinkt vanuit een gedachte het gedicht binnen, stapt rond in die gedachte en neemt dan een sprong waardoor de lezer in een (verrassende) wending wordt meegenomen.

Uit de afdeling: ‘God doet de rest’:

DRAMATISCHE IRONIE

Niets toont zozeer hoe blind wij zijn
als het verleden. Daar in de verte zitten
wie niet zien dat wij hier staan.
Zichzelf zien zij niet gaan, noch hoe.
En wij maar lachen. Wat weten ze
weinig, van niets, maar wij haha.
Wij roeien ruggelings naar later.

In de laatste zin ‘roeien’ wij en dan ga je dus achteruit. Dus hebben we de blik naar het verleden en de rug naar de toekomst gericht. ‘Dramatische ironie’ is ook een verteltechniek waarbij de toeschouwer meer weet dan een of meer personages in het verhaal. We kunnen zo hard lachen als we willen om onze jongere zelven die nog van niks weten, maar hoe ouder we worden, er verandert niets aan het feit dat wij blijven ‘roeien ruggelings naar later’. Een mooie vergelijking.

Marjoleine de Vos heeft een geheel eigen stijl. Ze schrijft in toegankelijke taal waardoor het overkomt alsof ze de gedichten zo uit haar mouw schudt. Ze maakt gebruik van (binnen)rijm en alliteratie wanneer het haar zo uitkomt. Zo gemakkelijk als het oogt, is haar poëzie zeker niet. Met name haar elliptische zinnen (het suggestieve ontbreken van woorden) en het moeiteloos weven van de Griekse mythologie door het leven van de ik-figuur heen. In het gedicht ‘Eurydike’ bijvoorbeeld volgen we het liefdesverhaal van Orpheus en Eurydice. In strofe één volgen we het verhaal op de voet, maar in strofe twee is er bij Orpheus een ‘bikini’ achtergebleven en ‘een handgeschreven zoen’. In strofe drie staat de in het oog springende zin: ‘wie zich verlaat, sterft heel het thuiszijn mee’. Het gedicht eindigt met een ‘eilandstrand’ dat hen samen nog wel kent: ‘we praten zacht onder een parasol / de toekomst van ons leven vol.’ Een ander belangrijk kenmerk van haar poëzie is het compacte componeren van de zinnen omwille van het metrum, dit alles maakt haar poëzie interessant.

EEN UITZICHT TEGEMOET

Ochtendfris, mijn schoenen lopen over steen.
Waar gaan ze heen? Een uitzicht tegemoet,
een weg naar verderop, een welkom huis met
vogels in de tuin; een man drinkt koffie er,
hij maakt muziek. En in een stoel zit ik.
Of was ik kind en zong mijn moeder daar
zoekend de wijs die ze steeds bijna vond?

Het ginds waar nooit mijn voet heen gaat,
ligt zo ver in de tijd dat ik alleen vanbinnen
nog de plek herken, niet wie ik ben daar.
Herinneringen noem je dat, het vage beeld,
de lichte klank, soms zitten we een tel of wat
in zonnig licht. En als ik bof dan lach je,
zie ik je gezicht.

Treffend hoe De Vos hier omschrijft hoe dat gaat met herinneringen in je hoofd, hoe ze spontaan opploppen en hoe ‘[ik] nog de plek herken, niet wie ik ben daar’. Een duidelijk voorbeeld van de ellips als stijlfiguur lezen we in deze zin: ’een man drinkt koffie er, / hij maakt muziek.’ De suggestie die wordt gewekt is: ’een man drinkt koffie er klinkt muziek’. In de laatste strofe raakt ‘de lichte klank’ en ‘zonnig licht’ dat ongekunsteld overgaat in rijm: ‘zie ik je gezicht’, rechtstreeks de herinnering aan (uit de afdeling: ‘Het mooie overhemd weer aan’).

Het titelgedicht uit diezelfde afdeling:

HOE VERSCHILLIG

Zie toch de trams, hoe ze rijden,
ze weten niet dat jij niet meer bent.
Altijd hetzelfde: dat de wereld
je niet kent en voortdoet, maar
o hoe verschillig, om mij
te dragen is het, me mee te voeren
naar ergens verder in mijn bestaan.
Van wie verloren is vandaan.

Zou dit gedicht gaan over dichter T. van Deel, de ex-man van De Vos, die overleed in 2019? Het lijkt mij wel aangezien ze in de afdeling ‘En gedichten zeiden dat alles voorbij moest gaan’, terugkijkt op een gelukkige tijd met daarin de zin: ‘ik lag met een dichter in de duinen’. Terug naar de inhoud van het gedicht. We kennen allemaal het gevoel van de wereld die zich niets aantrekt van, gewoon ‘voortdoet’ bij het overlijden van een dierbare. We ervaren dat als surrealistisch omdat onze eigen wereld is stilgevallen door het verlies. De hink-stap-sprong die de dichter maakt is het schakelen van de ‘jij’ naar de ik-figuur die door diezelfde wereld gedragen wordt, meegevoerd in de tred van het bestaan en verder van diegene die ‘verloren is’ vandaan. ‘O hoe verschillig’ is dat wel niet? ‘Verschillig’ is geen correct Nederlands, maar is hier het tegenovergestelde van onverschillig, vandaar mijn opvatting ‘hoe betrokken’ is het. Zo kun je het opvatten. Het feit dat je als mens gedwongen wordt om door te gaan met je leven, kan je redding zijn. Onverschillig betekent ook egaal dus vlak, effen, gelijk. Het tegenovergestelde daarvan is oneffen, ongelijkmatig, ongelijk. ‘O hoe ongelijk, om mij te dragen’ lezen we dan en kan het plots worden opgevat als een misvatting. Ambigu dus.

Marjoleine de Vos schrijft aantrekkelijke, warme en fijnzinnige poëzie. Wat mij betreft hoeven er geen acht jaren tussen te zitten bij de opvolger van deze bundel.
____

Marjoleine de Vos (2021). Hoe verschillig. Van Oorschot, 64 blz. € 18,95. ISBN 9789028211070

Geplaatst in Recensies.