Dichters bij Raveel – Met Heldere Verf en Verlangen

Dichter bij Raveel?

door Wim Platvoet




Bij het onvolprezen Poëziecentrum in Gent is Met Heldere Verf en Verlangen van Dichters bij Raveel verschenen, een bundel waarin 34 gedichten staan die een dialoog aangaan met een werk van Raveel. Volgens de flaptekst ‘levert [dat] een unieke, poëtische verkenning van zijn werk op door de beste dichters van het moment’. Of het gaat om ‘de beste dichters van het moment’ slaat nergens op, maar ik laat het graag aan de lezer van de bundel over om de gedichten op hun eigen waarde te lezen. In deze bespreking wil ik wel een poging doen om te kijken of het gaat om ‘een unieke, poëtische verkenning’ van het werk van Raveel. De bundel maakt het de lezer makkelijk om deze verkenning al dan niet mee te voltrekken, omdat de werken waarmee de gedichten een dialoog aangaan bij het gedicht staan afgebeeld. Het ordeningsprincipe van de bloemlezing is chronologisch, ‘volgens de ontstaansdatum van de werken van Raveel’. Het eerste werk, Rode koe, is gedateerd 1948, en het laatste is een Tweeluik uit 1999, dat onder meer een zelfportret van Raveel bevat. De titels van de werken van Raveel staan niet bij het werk, maar rechts boven op de pagina, direct onder de naam van de dichter, hetgeen enigszins bevreemdend is, temeer omdat de titel van het gedicht – indien het een titel heeft – in vrijwel alle gevallen afwijkt van de titel van het werk.

Wat ik als een enorm gemis ervaar is het ontbreken van elke informatie over de dichters, zoals een overzicht van de door hen gepubliceerde dichtbundels. Door het ontbreken hiervan verdwijnen de dichters enigszins in de anonimiteit, zeker ten opzichte van Raveel. Zo wordt ‘de fascinatie van het dichtersvolkje voor de meester’, zoals het in de inleiding heet, blijkbaar bepaald door het feit dat dat volkje gevraagd is een gedicht bij een werk van Raveel te schrijven.

Er worden in de inleiding ook een aantal dichters genoemd, die ‘een of meerdere gedichten, of zelfs een hele bundel’ aan Raveels werk hebben gewijd. Blijkbaar zijn dit niet meer de beste dichters van het moment. Deze gedichten zijn in ieder geval niet in de bundel opgenomen. Een zoektocht op internet maakt duidelijk dat deze dichters soms een gedicht bij hetzelfde werk van Raveel hebben geschreven als de wel opgenomen gedichten. Het zou aardig zijn geweest als deze gedichten ook in de bundel waren geplaatst, maar vanwege rechten was dat misschien niet mogelijk. Hier wordt in de inleiding niets over gezegd.

Volgens het ‘Nawoord’ van Carlos Alleene hebben ‘kunstenaar en dichter [een zaak] alvast gemeen: ze creëren vanuit het absolute niets’. Een vreemde opmerking, juist in een bundel als deze. Maar goed, het gaat niet om de ‘Inleiding’ en het ‘Nawoord’, maar om de gedichten zelf. De hamvraag voor iemand die deze gedichten leest is natuurlijk: kijkt hij tijdens het lezen voortdurend naar het werk van Raveel, dat zo prominent is afgebeeld, of leest hij tijdens het kijken voortdurend het gedicht? Denken zijn ogen of kijken zijn hersenen?
Laten we als voorbeeld een tamelijk bekend werk van Raveel uit 1971 nemen, De zwanen van Brugge, waarbij Bart Van der Straeten het gedicht ‘Cygnus olor’ heeft geschreven (p. 55). Het is voor mijn gevoel een van de weinige gedichten die een duidelijke dialoog met dit werk aangaan en die daarbij iets zinvols over dat werk zeggen, dat werk laten leven. Het raakt zelfs een centraal element in het werk van Raveel, waarin het ‘blinde beestachtige vierkant van leegte / van niets’ veelvuldig voorkomt. De eerste strofe luidt:

zoals de zwanen ons het water tonen

zo, Roger, verblindde je ons

met je blinde beestachtige vierkant van leegte

van niets, toch bleven we kijken

vanuit onze kwetsbare nesten en gaven

dat niets aan de wind

Op internet is nog de volgende informatie over dit werk te vinden:

‘De Vlaamse kunstenaar Roger Raveel maakte in 1971 voor een triënnale in Brugge vier levensgrote platte houten knobbelzwanen en liet ze dobberen in de wateren van de stad. De uitgespaarde en zwart omrande vierkanten in de lijven gaven verrassende doorkijkjes. Het werk was bedoeld als een aanklacht tegen de vervuiling die echte zwanen het leven onmogelijk maakte. Politici verweten Raveel echter Brugge in een kwaad daglicht te stellen en lieten de vogels verwijderen. Maar het had effect gehad: de vervuiling werd aangepakt …’

Dit soort contextuele informatie had de bundel aanzienlijk rijker gemaakt. Nu is de lezer aan zichzelf en aan internet overgeleverd – en aan de gedichten. Kunnen die op zichzelf staan? Die vraag kun je op meerdere manieren opvatten, je kunt je zelfs afvragen of deze vraag bij een bundel als deze zinvol is. Ik meen van wel: de gedichten moeten op zichzelf kunnen staan, juist als ze een dialoog aangaan met het werk van Raveel. Ze moeten dat werk op een zelfstandige manier verwerken. Ze kunnen zich in die zin helemaal loszingen van dat werk. In ieder geval moeten ze voldoen aan de eisen van een goed gedicht. Soms verslaat het gedicht het schilderij, in de dubbele betekenis van het woord. Het gedicht van Michaël Vandebril bij het portret van Hugo Claus uit 1950, ‘Landschap met blauwe ogen’, eindigt met de fraaie regels: ‘leugenachtig schilderij / waarin ik vloeibaar verdwijn’ (p. 13). In dit waarachtige gedicht is iedereen verdwenen én toch volop aanwezig: Hugo Claus, Roger Raveel én Michaël Vandebril. Dit is lang niet in alle gedichten het geval.

Het is onmogelijk om in dit verband alle gedichten te bespreken, mede omdat ze op geen enkele manier een eenheid vormen. Het is in ieder geval duidelijk dat de wisselwerking zeer verschillend is, en lang niet altijd even geslaagd. Misschien speelt het een rol dat de dichters niet zelf een werk van Raveel hebben uit mogen kiezen, waardoor het gedicht soms wat geforceerd overkomt, of zich verschuilt achter een veelheid van woorden. Vier gedichten hebben twee pagina’s nodig en boetten daardoor toch aan kracht in. Een aantal gedichten vult een volle pagina, waardoor de spanningsboog (en de dialoog met het werk van Raveel) verslapt. Dat het ook kort en krachtig kan blijkt uit het kortste gedicht, van Bette Westera, dat dit ook inhoudelijk duidelijk maakt: ‘zo ruimtescheppend / leeg en vrij’ (p. 53).

Ik wil afsluiten met een gedicht van Rutger Kopland, dat op poëtische wijze iets uitdrukt dat het werk van Raveel op plastische wijze doet. Het is nummer II uit een vierdelig gedicht dat Kopland schreef over het werk van Raveel, uit de bundel Een man in de tuin uit 2004.

Zoals je tijdens het denken kunt weten
dat je aan niets denkt

en zoals je tijdens het kijken kunt zien
dat je niets ziet

zo kunnen er in zijn beelden gaten vallen
in een weiland een mens een huis

witte gaten waarin je ziet dat we van de dingen niet weten hoe ze zijn

ziet dat de echte wereld een gat is
een wit gat

zo wil ik dat gedichten de gaten laten zien in
de taal waar voor de dingen geen plek is

In zekere zin is dit gedicht van Kopland te direct op het werk van Raveel betrokken. De dichters uit de bundel lijken – mede gezien het tijdsverschil tussen het gedicht en het werk van Raveel – meer emotionele en intellectuele afstand tot dat werk te hebben, en zijn daarom gedwongen ook in hun gedichten meer afstand tot dat werk te nemen. In die zin sluiten ze aan bij het motto van het gedicht van Thomas Möhlman, ‘De literaire kant’. Dit motto is opmerkelijk genoeg van Roger Raveel zelf en luidt: ‘ik heb altijd de literaire kant van het schilderij uitgeschakeld’ (p. 45). Ik raad de lezers van deze bundel aan hetzelfde te doen met de ‘plastische taal’ (Carlos Alleene) van het gedicht en ‘dan samen [te] komen aan de drinkplaats van de taal’ (Arno van Vlierberghe, p. 83), om zo zich in hun eigen beleving van het werk van Raveel te verdiepen.
____

Dichters bij Raveel (2021). Met Heldere Verf en Verlangen, samengesteld door Carl De Strycker. PoëzieCentrum, 104 blz. € 22,00. ISBN 9789056552497

Geplaatst in Recensies.