Naakt als een pasgeboren baby

Dichter-performer Frank Báez (Santo Domingo, 1978) was in 2019 o.a. present op Poetry International, waar hij uit eigen werk voordroeg. Uitgeverij Karaat selecteerde vervolgens een aantal gedichten van hem en liet die uit het Spaans vertalen door Bas Nieuwenhuijsen en Luc de Rooy. Alleen de titel van de bundel wekt al het vermoeden dat hier geen doorsneedichter aan het woord is: Gisteren droomde ik dat ik een dj was.

Sander de Vaan maakte een interview met Báez over buigende politieagenten, menselijke papegaaien, naakte gedichten en nog veel meer.

foto Jaime Guerra

Wat betekent poëzie voor jou?
Ik kan het op duizend verschillende, stuk voor stuk eerlijke manieren voor je beschrijven, maar op dit punt in mijn leven denk ik dat poëzie een mysterie is.  Met woorden die we dagelijks gebruiken creëert een dichter verbale beelden, uitdrukkingen of bepaalde ritmes, die ons ontroeren en zelfs ons leven veranderen. Elke keer dat een dichter urenlang woorden op papier zit te verzamelen en ze mooi laat klinken, ontrafelt hij een van de meest fascinerende mysteries van het leven en een communicatievorm die veel wegheeft van muziek of beeldende kunst, maar tegelijkertijd anders is. Voor mij wordt de dichtkunst steeds fascinerender. Het bestaan alleen al van poëzie ​is reden genoeg om te leven.

Maar een leven als dichter is niet altijd makkelijk. De ‘ik’ in je bundel blijft liever in een put zitten, terwijl een dj hem juist wil helpen. Hij oogst echter ook bewondering van een politieagent én hij twijfelt regelmatig… Wat vind jij van het dichtersbestaan in onze westerse samenleving?
Het gedicht ‘Zelfportret’ sluit af met een agent die buigt voor de dichter. Dat is geïnspireerd op de stomme films van de jaren twintig en dient hier als anticlimax. De politieagent staat voor onderdrukking, censuur en macht, en als hij buigt voor de dichter of voor hem applaudisseert, betekent dit dat hij niet langer gevaarlijk is. Dat is verschrikkelijk voor de dichter, omdat hij ongevaarlijk is geworden: de samenleving heeft hem in het gareel gekregen, als een leeuw in de dierentuin.
Mijn gedichten reageren op de plaats die de samenleving voor de dichter reserveert. In een dictatuur is zijn plek duidelijk: hij is de vijand. Het eerste dat dictators doen, is dichters neerschieten. Maar wat doet de dichter in een democratie waarin alles kan, waarin zijn woord niet meer met de werkelijkheid schuurt en waar zijn verzen zelfs gebruikt worden om producten te verkopen? Wat moet je doen in het licht van deze banalisering? Het enige antwoord is schrijven. Ik geloof dat een dichter in zijn taal woont en dat je taal moet verbreden om aldus nieuwe mogelijkheden van leven en creatie te scheppen.

En hoe zou je de taal waarin jij woont omschrijven voor lezers die geen Spaans spreken?
De taal leeft ongelooflijk in de Dominicaanse Republiek. Het lijkt wel of mensen in acht- en elflettergrepige verzen spreken. Tijdens het praten bewegen we aldoor onze armen, schouders en hoofd op de maat van het gesprek. Het lijkt wel alsof we in een musical zitten. En daar komt het Antilliaanse landschap nog bij, sonoor en welsprekend: de regen op de zinken daken, het fonkelen van de sterren, de claxons van de auto’s in de spits, als de blaasinstrumenten van een orkest, het geroezemoes van de menigte, de golven die op de rotsen slaan en de bijna menselijke kreten van papegaaien – álles praat tegen je aan. En dan heb je nog muziek, dansen en lawaai, voorgedragen poëzie, boeken die je in stilte leest maar in je hoofd weerklinken. In die context ontstaat mijn poëzie en die is dus een reactie op de Antilliaanse barok, waarmee ik mijn gezicht, mijn identiteit en mijn wezen tracht te vinden.

Je hebt originele gedichten over de Caribische Zee geschreven. Hoe belangrijk is hij voor jou?
Zoals ik in een van de gedichten zeg, gaat het over de zee uit mijn kindertijd. Ik ben opgegroeid in een buurt die Miramar heet. De zee was altijd een levendige aanwezigheid, maar hij werd vooral actief in de orkaanseizoenen, wanneer de golven almaar hoger werden en het normaal was dat ze tegen onze huizen sloegen en vissen, krabben en algen op de daken en binnenplaatsen wierpen. Nu, tijdens de pandemie, loop ik meestal ’s middags langs het water en stop bij een rif vanwaar ik de zon in de zee zie ondergaan. Die schemerende leegte maakt me rustig. De zee betekent dus zóveel voor mij dat ik af en toe een aantal gedichten aan hem wijd.

Er staat uitsluitend spreektaal in je gedichten. Sleutel je veel aan je teksten?
Veel van mijn gedichten lijken in één keer geschreven te zijn, maar om die indruk te wekken moet ik ze voortdurend corrigeren. Als ik een gedicht achter elkaar opschrijf, kan het in de prullenbak. Poëzie leunt tegen precisie aan. Ik wantrouw doorgaans alle retoriek, omdat ik de politiek en al die manicheïstische toespraken en vulgariteit beu ben. Geef mij maar een naakt gedicht, zonder enige versiering, als een pasgeboren baby. Bovendien wil ik het pad volgen van de oosterse meesters die het heden en het landschap in haiku’s vereeuwigd hebben.

En hoe ontstaat normaal gesproken een gedicht van je?
Dat kan op allerlei manieren gebeuren. Het kan een uitdrukking zijn die ik hoorde van een persoon in de rij bij de bioscoop, of de nachtregen, iemands woorden in een droom, een onverwacht deuntje in een muziekstuk, graffiti met spelfouten op een stadsmuur, een fles parfum, de ademhaling van mijn slapende kat of de glimlach van mijn vrouw. We weten niet precies wat een gedicht triggert, maar we moeten alert zijn voor het geval dát het gebeurt en het dan snel op papier vangen.

Je schreef ook een mooi gedicht over de Marilyn Monroe van Santo Domingo, hoe ontstond die tekst?
Ik schreef het gedicht aan het begin van het millennium, want ik wilde een identitair en dekolonialistisch gedicht maken, maar ik wilde ook dat het niet saai of pretentieus zou worden, zoals al die poëtische teksten die meer op manifesten lijken, of die zó hermetisch zijn dat je ze onmogelijk kunt lezen. Ik wilde grappige verzen, vol leven, gedurfd én schokkend, maar ik schoot maar niet op. Tótdat ik begreep dat dit dekolonialistische identiteitsgedicht verteld moest worden door een transgender en aldus werd La Marilyn Monroe van Santo Domingo geboren. Het gedicht wordt alom gewaardeerd, is in verschillende talen verschenen, op muziek gezet en opgevoerd in het theater. Én het komt in een boek over Marilyn Monroe dat volgend jaar in de VS zal verschijnen, naar aanleiding van haar overlijden, zestig jaar geleden.

Voor sommigen hield de dekolonisatie op bij de onafhankelijkheid van de betreffende koloniën. Steeds meer mensen beseffen echter dat men nog volop in dat proces zit. Wat moeten we hier in het Westen doen, volgens jou?
We hebben nog altijd veel te maken met ongelijkheid, uitbuiting en racisme. In die zin is de wereld niet veranderd. De referentiekaders zijn vervangen door andere die even onderdrukkend zijn, maar meer in lijn met de tijd lijken. Uiteindelijk moet je terugkeren naar Marx en beseffen dat rijkdom slecht verdeeld is en dat enkelen het gros van het kapitaal en de hulpbronnen oppotten. Kijk maar hoe de grootmachten grote hoeveelheden vaccins tegen het coronavirus hebben opgepot… Wat we moeten doen? Had ik daar maar een treffend antwoord op. Misschien kunnen we beginnen met meer onderwijs en onszelf openstellen voor een cultureel diverse wereld…

Met welk gedicht zou je je aan de lezers van Meander willen voorstellen?

KORT GESPREK MET DE CARIBISCHE ZEE

Laat ik je vertellen dat ik laatst de Middellandse Zee
voor het eerst ontmoette en het was een beetje
als het ontmoeten van een vergeten acteur.

Ik liep langs de kade met het geluid
van zijn golven in mijn oren
als de hoest van een astmatische Joe Pesci.

Maar nog meer dan aan een vergeten acteur
deed de zee denken aan de mummies
die in het museum van Caïro worden tentoongesteld.

Het is niet persoonlijk bedoeld, Caribische Zee,
maar vanmiddag ben je zo opgefokt
dat het lijkt alsof je net uit de gym komt.

Ik weet niet of ik je liever zie wanneer je
mak bent en uitrust als een leeuw
midden op de prairie.

Of wanneer je razend bent en brult
en probeert de kust van achteren te nemen
zoals Marlon Brando dat deed

in Last Tango in Paris.
De pelikanen en de meeuwen
ontsnappen aan je vingers wanneer

je ze probeert te grijpen, het is alsof
je uit bed wilt opstaan,
maar je ketens je ervan weerhouden

met zoveel kracht dat je alleen maar
kunt razen en tieren.
Niet liegen, erger je je niet

aan de cruiseboten met de ouden van dagen
en aan al die rotzooi die we in je werpen?
We hebben je vergiftigd, vervuild.

Afgelopen jaar lag je kust zozeer bezaaid
met algen dat het leek alsof
onze stranden door een toerist

met syfilis besmet waren geraakt.
Ik zei in mezelf wat een smerige boel.
En vroeg me af of dit het einde betekende.

Maar in plaats van een tsunami op te roepen
en je te ontdoen van onze steden
en Miami van de kaart te vegen,

bleef je doorgaan met het loslaten van je kudde golven
die in vrede en harmonie
over de lengte van onze hele kust bleven blaten.

Wat kan ik je meer zeggen? Je bent de zee
van mijn kindertijd, ik ben mijn hele leven
bezig geweest je taal te ontcijferen.

We zijn allebei ouder geworden,
maar ondanks het voorbijgaan van de tijd
blijf ik naar deze pier komen

om met je te praten met
dezelfde onschuld van toen
ik nog een jongen was en over

je stranden liep en een schelp oppakte
en hem naar mijn oor bracht
en jij voor het eerst tegen me sprak.
Geplaatst in Interviews.