Meander top drie uit De Gedichtenwedstrijd

Ieder jaar maken we een lijstje van onze eigen favorieten uit de top 100 van De Gedichtenwedstrijd. Dit jaar kozen Janine Jongsma, Alja Spaan en Sandra Roobaert, de keuze was breed en toch was de voorkeur snel bepaald.

(c) Alja Spaan

 

Janine Jongsma en het gedicht Familie van Eke Mannink, later omgedoopt tot Twee oevers.

“In dit gedicht blijf je in het ongewisse tot aan de laatste zin. Want waarom komt haar broer altijd anders terug naar huis? Dan blijkt dat de ik-figuur haar broer deelt met een vader die op de andere oever woont. Subtiel wordt hier beschreven hoe het gaat na een scheiding als een kind op twee adressen woont en op en neer pendelt. Knap hoe de dichter het huis van de ik-figuur als een warm onderkomen beschrijft in zachtgeel licht, waar ze niet rijk zijn, maar gelukkig. In tegenstelling tot het onderkomen van de welvarende vader, waar het licht felblauw is (koel) en dat modern is ingericht. En hoewel de ik-figuur bekend is met de inrichting ervan, blijkt dat zij daar niet heengaat. Het proces dat zich voltrekt in haar broer wanneer je op twee plekken tegelijkertijd moet wortelen, wordt ingenieus beschreven door de veranderende kleuren die de broer als kameleon aanneemt. Dit gedicht is beeldend, kaart aan, roept vragen op en nodigt uit tot herlezen.”

Eke Mannink publiceerde tot nog toe zeven dichtbundels, waaronder ik schrijf je bij me (2012), vondeling (2015) en Familieberichten (gedichten als kiemcellen) (2019). Het vers Twee oevers komt in een nog te verschijnen bundel: Van tafel, van bed.

 

Twee oevers


Je broer, je deelt hem en je vraagt je af waarom hij altijd anders terugkomt
dan hoe hij vertrok. Hij pendelt tussen oevers en wij wonen op de ene

waar het licht zachtgeel is en de hond zich nestelt naast de perzikboom.
Waar meubels uit de kringloop staan en Ottolenghi heerst wanneer het feest is.

Hij woont óók op de andere. Daar is het licht fel blauw en loopt een kat
rondom de loungebank, groeien pruimen en wordt juist vaak uit gegeten.

Je broer, je deelt hem en je vraagt je af waarom hij altijd anders terugkomt
dan hoe hij vertrok. Ik denk dat het die oevers zijn. Die maken dat hij wortelt

in zacht geel en dan weer door moet naar fel blauw. Kameleontisch als hij is,
verschijnt hij blauw weer in ons geel en met een gouden gloed vertrekt hij

naar de oever van zijn vader.

 

Alja Spaan en het gedicht 38 getuigen van Max Lerou.

“Hoewel ik niet de film ken die Lerou gebruikt als inspiratie, herken ik wel meteen het ‘dansen boven de rand’, de eenzaamheid van de stad nu de schreeuw haar verlaat, de dreigende en toch ook dansende opwinding, holle voetstappen en het beklemde gevoel dat achterblijft terwijl opnieuw de zon opkomt.
Als ik dan de titel google en lees dat het scenario gebaseerd is op de roman  Est-ce ainsi que les femmes meurent? (2009) van Didier Decoin gaat het over veel meer. Een brutale moord op een jonge vrouw, niemand die iets heeft gezien of gehoord, iedereen sliep op een man na die de hartverscheurende kreten wel heeft gehoord maar niets heeft gedaan. Het geweten dat opspeelt, kwelgeesten in de volgende nachten, onbeantwoorde vragen.
Getuige zijn maar geen getuigenis hebben. Aanwezig zijn maar tegelijk afwezig.
Het gedicht van Lerou is een gestold filmbeeld. Als woorden die beelden kunnen oproepen heeft de dichter zijn werk gedaan. Kunst is emotie.”

Max Lerou zegt over zichzelf het volgende:

Ik ben een winterdichter.
Bij mooi weer verblijf ik aan de zeereep.
Noem mij zomerhedonist.

De stad, de mensen en de zee.
Het zijn bronnen waaraan ik mij laaf.

De mensen merken wel eens op dat ik zo weinig over de liefde schrijf.
Het klinkt als een verwijt.
Ik vertel ze dan dat harde woorden ook van liefde kunnen zijn,
zoals gesteente soms zacht.

De stad brult meerstemmig.
Eenstemmig klinkt het.

De zee wacht.
De zee ruist.

 

 

 

38 getuigen *

het spanlaken van de nacht al iets gevierd
de eerste opvlieger van de zon
danst even boven de rand

de wagens met hun grote muilen
ze rollen langzaam door de straat
vreten zwijgend rot in bloemenhulde

opeengeperst de gouden monden
haar schreeuw verlaten in het kanaal
dat west met oost verbindt

voetstappen zoals ze klinken in de film
eenzaam links eenzaam rechts
leeg de straat en hij


*38 témoins – film van lucas belvaux

 

Sandra Roobaert en het gedicht vergeten gezicht (1) van Elly Stolwijk.
“Voor mij is dit gedicht van Elly Stolwijk poëzie die ertoe doet. Zonder ook maar één hoogdravend woord iets belangwekkends neerzetten. Een maatschappelijk thema aanraken zonder dat het een schreeuwerig pamflet wordt. Niet proberen zich in de kijker te werken. Tegelijk erin slagen je als lezer middenin een heel lijfelijke realiteit te plaatsen. Het enige huis dat je nog hebt is je lichaam. Voor de rest is er falend geheugen, zintuiglijke indrukken, een omheining met eilandbewoners erachter en een zee, en seizoenen die moeten worden overleefd. Het gedicht heeft geen hoofdletters en de verzen lopen door, zonder ankerpunten, lijkt het. Alleen karige woorden met af en toe een langere zin ertussen en heel veel punten. Die laatste telkens afbrekingen, zoals ook de ervaring van de ik-figuur verbrokkeld is. ”
NB. De dikke zwarte punten zijn opzet van de dichter; in de top 100 bundel staan ze helaas niet afgedrukt.

Elly Stolwijk (1957) is beeldend kunstenaar en dichter. Gedichten van haar zijn opgenomen in tijdschriften en verzamelbundels. In februari 2020 verscheen het poëziedebuut  liefde de vluchtige holte  bij uitgeverij In de Knipscheer. Dit jaar volgt een tweede bundel.
Eind 2020 kwam  Return to Familiar Grounds  uit, een boek-met-CD van Michel Duijves in samenwerking met het Upperworld Underworld Ensemble (twee blazers, twee akkoordinstrumenten en een dichter). Elly schreef hiervoor zeven nieuwe gedichten. Na de première op 23 november 2020 zijn alle voorstellingen voorlopig afgelast vanwege Covid-19.
Volgende week (7 mei) staat ze opnieuw in Meander.

 

vergeten gezicht (1)

toen eilandbewoners haar van de lekke sloep haalden wist ze niet meer
waar de ronde spiegel had gehangen ● hoeveel kinderen er waren geweest
en of ze namen hadden gehad ● en zo ja ● welke

het verblijf ● een tent ● kon ze geen woning noemen ● het moeie lichaam
was haar huis ● ogen ramen ● mond deur ● huid muur ● maag keuken ●
darmen kruipruimte ● hart kachel ● baarmoeder kluis

het werd warmer ● ze waren met velen ● soms kon ze zich afspoelen met
water uit een fles ● in slapeloze nachten kroop ze naar buiten
om te ademen en de sterren te zien

de nazomer bracht vuur ● regen ● roet ● rook in het uit doek opgetrokken
dorp ● ze zocht opnieuw een dak ● verscheurde kartonnen dozen ● schreef
met as ● waarom noemt men regen hemelwater

de herfst moest ze vergeten ● haar stem raakte weg omdat ze schreeuwde
in niet te begrijpen dromen ● ze zou kunnen zeggen dat ze werkelijk
waren

achter de nieuwe omheining deinden de golven

nu het wintert wikkelt ze de lappen van haar voeten ● in de onverwachte
sneeuw tekent haar grote teen een volle maan ● plat brood ● zwart gat ●
putdeksel ● geopende mond

verse vlokken proeft ze op haar tong ● zakt door de knieën zonder het te
willen ● valt ● nee ● zij is dit niet ● het is haar silhouet dat hier onzichtbaar
op het asfalt ligt

en vanaf deze duistere plek ziet hoe een lamp de woonkamer
van een eilander huis verlicht ● iemand gooit geruisloos de tafel om ●
doet daarna de luiken dicht

Daarbij een aquarel van Elly Stolwijk (14 bij 18 cm. ,2017).

 

 

 

 

Geplaatst in Gedichten.