Reve en de religieuzen

door Hans Franse

Gerard Kornelis van het Reve noemde zich, en werd ook officieel later Gerard Reve.
Ik had vrij veel van hem gelezen. Als jongen al ‘De avonden’, een boek dat me fascineerde door de volgehouden saaiheid in eenzaamheid die voerde naar een indrukwekkend slot. Ook ‘Werther Nieland’ en ‘De familie Boslowitz’ vond ik  prachtig. Zijn Engelse verhalen (The acrobat and other stories) vielen mij tegen, zowel in het Engels als vertaald. Het toneelstuk Commissaris Fennedy duikelde mee met mijn hoge verwachting, vooral omdat ik het kon vergelijken met Tanchelijn van Harry Mulisch (Ko van Dijk was groots) en een toneelstuk van Hermans over King Kong.
Toen kwam ‘Op weg naar het einde’, dat ik verslond, een brievenboek dat ongelooflijk diep ging. Toen werd van het Reve katholiek nadat hij al als homosexueel uit de kast was gekomen. Hij werd erkend als groot schrijver. Dat wil zeggen, zoals de schrijver later zelf zei, de NRC vond hem goed. En het was een roomse homo.  Er was veel publiciteit. Om met de schrijver zelf te spreken ‘De kassa rinkelde’. Door een toeval kende ik zijn geestelijk begeleider, een oude priester, die Lambert heette, en het kunstenaarspastoraat in Amsterdam verzorgde. Ik had hem ontmoet toen ik met een bevriend musicus naar de Tichelkerk in de Jordaan was gereden om daar de Kerstnachtmis mee te maken, waar Louise Wijngaarden de viool bespeelde in een klein ensemble, orkestje met solisten, dat een mis van Mozart zong. Een wijs vreemd man, die bijna heidense preken hield en die ik ook later nog een keer in Onze Lieve Heer op zolder ontmoette.                                                         .
Nog later, in 1966, kwam ‘Nader tot u’ dat ik eveneens achter elkaar uitlas. Ik werkte toen nog als onderwijzer in Tuindorp-Oostzaan en las dat de grote volksschrijver, die inmiddels zijn naam had vereenvoudigd, zou optreden in het jeugdhuis in Nieuwendam. Ik fietste van Tuindorp- Oostzaan naar Nieuwendam en trad de zaal binnen, die afgeladen was.
Tot mijn verbazing zaten op de eerste rijen uitsluitend religieuzen, in alle soorten habijten en kappen, met of zonder rozenkrans of koord: het leek alsof alle nonnen en broeders waren uitgelopen, nu het eindelijk, ook van een niet-verlichte overste, mocht, om de bekeerling van dichtbij te aanschouwen, die na veel innerlijk lijden, het licht had gezien en Rooms was geworden. Het was de avond der avonden, het licht zou doorbreken en een mens zou vertellen over zijn mystieke ervaring. Ik zat zodanig dat ik de verzamelde religieuzen bij hun culturele en spirituele exercities kon bekijken.

Toen Reve de zaal betrad kreeg hij een applaus: het viel mij op, dat vooral de nonnen klapten. Eentje kreeg een kleur die zelfs ondanks haar sluier te zien was. Eén non klapte heel fanatiek, ze hield haar handen omhoog en haar ogen straalden. Eén broeder stelde zich wat gereserveerd op. Toen het applaus was uitgeklonken keek van het Reve de zaal in. Hij droeg een keurig blauw kamgaren pak, was naar de kapper geweest en maakte nog niet die uitgeleefde wat slonzige indruk die hij in later jaren maakte: het was een man in de kracht van zijn leven, die naast zijn geleerde broer was doorgebroken en nog veel moois zou schrijven.

Hij keek de zaal in, schraapte zijn keel en haalde een boek tevoorschijn. ‘Eerwaarde zusters, eerwaarde broeders, dames en heren’ zei hij. Er viel en diepe stilte. ‘Weinigen uwer weten dat ik ook dichter ben. Ik zal daarom deze avond beginnen met mijn Geestelijke Liederen’. Hij opende het boek, schraapte weer zijn keel en begon ‘Het ware geloof’ zei hij.

Op dat moment gebeurde er iets groots. De verzamelde religieuzen gingen rechtop zitten: dit zou het moment der momenten worden, zelfs de wat sceptische broeder keek oplettend: Reve zou het ware geloof bezingen. Het moment der waarheid, waarop het gevoel van de roeping versterkt wordt en bevestigd en dat een zwaar arbeids- en kloosterleven in zuiverheid, armoede en gehoorzaamheid de moeite van het leven waard maakt Hier zou het moment schitteren, dat zijn, hun en haar verrezen Heer door een bekeerling openlijk geprezen zou worden.

Gerard Reve keek de zaal rond ‘Het ware geloof’, herhaalde hij.
Toen las hij: ‘Als de kardinaal een scheet heeft gelaten….’

De rest van het gedicht volgt hierna, maar dat is niet van belang. Het effect van de eerste regel was groot: een scatologische knal door de spirituele verwachting: een soort anticlimax die de religieuzen weer tot de grond terugbracht. De nonnen en broeders wisten niet hoe ze kijken moesten. Of ze lachen moesten of huilen. Of ze boos moesten worden of genieten Ze bogen hun hoofd, keken naar de grond, en lieten gelaten de stroom gewijde woorden over zich komen: op dat moment konden ze in hun kappen en achter spirituele exercities verdwijnen.

Vier regeltjes die hun verwachtingen schokten:

Als de kardinaal een scheet gelaten heeft zeggen ze:
‘Sjonge, sjonge, wat ruikt het hier lekker,
Net of iemand lever met uien staat te bakken’.
Dat soort katholieken, daar ben ik niet dol op.

De rest van de avond verliep in goede kout en spirituele discussies, waarbij Reve vertelde een van de vier Nederlandse schrijvers te zijn die kon schrijven. Op mijn vraag wie die andere drie dan wel waren, grinnikte hij. Daar liet hij zich niet over uit. ‘Ik kijk wel uit’ zei hij. Maar na even nadenken vertelde hij toch dat hij Hermans bewonderde. Ik denk niet dat Mulisch tot die vier behoorde: Reve noemde hem later ‘een gemotoriseerde relletjes-voyeur’ en dit naar aanleiding van Mulisch’ boek ‘Bericht van de rattenkoning’ dat ik, eerlijk is eerlijk, ook verslonden heb.

Geplaatst in Column.