Op zoek naar stilte

door Jan Loogman

 

Een van onze redenen om stilte te zoeken was de badkamerverbouwing van onze buurman. ‘Het sloopwerk zal even lawaai geven’, had hij gezegd en daarna gebruikte hij een woord dat ik niet kende. Sloophamer? Boorhamer? Twee dagen zouden we last hebben, daarna werd het een kwestie van opbouwen. ‘Dat hoor je niet,’ verzekerde buurman. Ik sprak hem niet tegen, maar geloofde hem niet. Iedereen weet dat de nijvere doe-het-zelver zijn klus het liefst met veel lawaai uitvoert. En bovendien regelmatig een foutje maakt, dat via een nieuwe geluidsexplosie hersteld moet worden. ‘Men zal nog krijgen dat het nooit meer stil is’ citeerde ik Jan Hanlo. Hij schreef de regel lang geleden. Ver voor de uitvinding van de boorhamer, stel ik me voor. Maar nu tegenwoordig elke klus machinaal geklaard kan worden, gaat – in zijn woorden – ‘het zoemen van machines voortaan altijd door de lucht.’ Overigens reed Jan Hanlo zelf graag motor.


Na vier weken stuurde de buurman ons een filmpje van een zo op het oog voltooide badkamer. Met daarbij de tekst: ‘Met dank aan jullie incassovermogen.’ Wij juichten nog niet en onze terughoudendheid bleek terecht: in de volgende dagen klonk opnieuw de boorhamer. Toch namen wij aan dat het einde van de geluidsoverlast nabij was. Maar we twijfelden: zouden wij het nog kunnen, onbevangen luisteren naar geluiden? Nu waren wij door de badkamerverbouwing zo geluidgestresst, dat alles ons te veel was. Een brommer op de dijk, de grasmaaier van de achterbuurman, het gekrijs van meeuwen. Zou dat zo blijven? We hoopten van niet. Om ons eens goed te resetten, vertrokken wij naar de stilte.

Vijfentwintig jaar geleden beschreef Geert Mak hoe God verdween uit het Friese Jorwerd. In zijn boek komt een stiltezoeker voor, die juist daar was gaan wonen omdat dit dorp in deze omgeving het dorp is met de grootste afstand tot autowegen. Wij namen in die buurt onze intrek in een vroegere paardenstal. Vrij gelegen. Vanuit ons huis zagen we weilanden, in de verte hier en daar een kerktoren. We gingen op het plaatsje zitten en hoorden niets. Behalve dan driemaal per uur in de verte het klingelen van de spoorbomen vanwege het boemeltreintje tussen Leeuwarden en Stavoren. Af en toe het suizen van een auto over de weg naar het dorp. Geluiden die de stilte mogelijk maken. Of was het de stilte die deze geluiden mogelijk maakte?


Ik dacht aan Het stille huisje van Roland Holst: ‘Dwalend over heiden / en door lage bosjes, / denkend aan geen enkel nuttig ding – / fluitend zacht en blijde / blij en vrij en losjes / kwam ik plotseling / bij een huisje, doodstil en verlaten, / dat in schaduw van wat dennebomen sliep – / waar het lang geleden / scheen, en heel tevreden – / zó stil – want alleen een geitje blaatte, / en een koekoek riep –…’ Er is bij het huisje geluid te horen, van de geit, de koekoek, en toch is het er volgens de dichter doodstil. Zonder het blaten en het roepen was de stilte niet te horen geweest. Zonder de stilte had de dwaler het geitje en de koekoek niet gehoord.

Na de sloop door de boorhamer van onze buurman werd ons innerlijk gehoor weer opgebouwd door de Friese stilte. We konden weer luisteren. Na een week keerden wij terug naar huis. Er was geen geluid behalve het suizen van de koelkast in de keuken. We openden de deuren naar de tuin. Vanuit de verte klonk een elektrisch aangedreven grasmaaier. Zacht en regelmatig. Ik stelde me voor hoe een man rondjes over zijn gazon liep. Na een tijdje stopte de maaier. Een merel floot, eksters krasten. Toen was het stil en hoorden wij ‘de timmerman van het bos’ zoals C. Buddingh’ de specht omschrijft. ‘Ook wel de tamboer / uit het vogelorkest met zijn beitelvormige snavel / roffelt hij meer dan honderd keer per minuut / op de schors van een boom, ….’ Nu zag ik waar Buddingh’s typering niet klopt: de snavel had niet de vorm van een beitel, eerder die van een boorhamer.

 

 

afbeeldingen
1) Boels
2) dorpskerk Mantgum
3) Vogelbescherming

 

Geplaatst in Column.