Linguïstische veren

door Rogier de Jong

De Volkskrant gooide een tijdje geleden de knuppel in het hoenderhok met een column van trendwatcher Hilde Roothart. In navolging van de Universiteit van Hull noemde zij foutloos taalgebruik ‘elitair’ en ‘homogeen’. Een pleidooi voor laaggeletterdheid? En is dat erg?

Moeilijke taal als wapenstok van de elite: het is geen nieuw argument. Al in de jaren zeventig van de vorige eeuw waren er tendensen om de wereld op proletariese leest te schoeien en daartoe een fonetiese spelling te introduceren.

De linkse geluiden mogen plaatsgemaakt hebben voor rechtse decibels, de haat tegen ‘de elite’ is onveranderd gebleven. Waar vroeger ‘taalpurist’ een gewaagd spotwoord was, moet de taalliefhebber zich nu kwalificaties als ‘taalpolitie’ en ‘taalnazi’ laten welgevallen. Het narratief is ook nog altijd hetzelfde: dat leden van ‘de elite’ een ondoordringbaar kartel vormen. En dat zij taal moeilijk en onbereikbaar houden om degenen die niet tot de elite behoren buiten de deur te houden.

Als dit narratief – laaggeletterdheid als wapen van uitsluiting – waar zou zijn, dan zou je verwachten dat het bestrijden ervan in het leslokaal plaatsvindt. Een oud socialistisch ideaal: verheffing van de arbeidersklasse door scholing. Maar wat we zien is het tegenovergestelde: de prestatienormen zakken om iedereen een diploma te geven, geletterd of niet. Een vetleren paspoort voor allen.

Hoe erg is laaggeletterdheid? Volgens de Russische psycholoog Lev Vygotsky (1896-1934) heeft taal een allesbeslissende invloed op het denken. Taal is niets meer of minder dan hardop peinzen. Uiteraard is schrijven maar een onderdeel daarvan, maar je kunt de lat niet in stukjes verlagen: het is alles of niets. En dat heeft grote gevolgen. Want taal en denken beïnvloeden elkaar. Dus als de taalverwerving omlaag gaat, zullen de cognitieve en professionele vaardigheden volgen. Resultaat: een steeds ondeskundiger samenleving en kennisvlucht naar andere oorden.

Vygotsky, foto Verken je geest

Ik chargeer even: de arts die mij aan mijn oog opereert, hoeft niet meer hoogopgeleid te zijn, want elitair. En de buschauffeur die mijn (klein)kinderen naar school brengt, hoeft geen rijbewijs meer te hebben, want dat is iets voor de bestuurlijke toplaag. Jammer voor mijn oog en voor mijn (klein)kinderen, maar ja, je moet wat overhebben voor sociale gelijkheid.

Eigenlijk hebben we de trend van de zakkende linguïstische lat de afgelopen decennia kunnen zien aankomen. Sinds Ivan Illich (1926-2002) pleitte voor ontscholing van de maatschappij, zijn de babyboomers gretig met zijn gedachtegoed aan de haal gegaan en hebben ze voor hun nageslacht het badwater vast weggegooid. Want taalfouten zijn niet zo erg. Het gaat erom hoe je je als individu ontplooit – en misschien is non-verbale communicatie wel veel belangrijker dan dat old school geklooi met een pen of een keybordje.

 

Ivan Illich, foto Elearning Worldorg.

Wil hiermee nu gezegd zijn dat taal niet mag veranderen, dat ze een in beton gegoten codex is die door linguïstische hoeders streng wordt bewaakt? Allerminst. Taal is een levend organisme dat door de eeuwen heen verandert. En dat is maar goed ook, want anders zong Marco Borsato in het middel-Nederlands en schreven we in spijkerschrift over de snaartheorie. De kranten houden bij welke neologismen jaarlijks aan de Van Dale toegevoegd worden. Je tenen gaan er soms krom van staan.

Voor dichters en andere taalfetisjisten is de ontwaarding van de geletterdheid een gruwel. Communicatie wordt geïnfantiliseerd en ‘verstript’ tot een soort fonetische basistaal met hybride afkortingen en lachebekjes uit het tienerdomein. Kunnen we iets tegen die verkleutering doen behalve een achterhoedegevecht leveren op ons eigen terrein? Ik vrees het ergste. We zijn radertjes in een groot darwinistisch uurwerk. Maar laten we dan toch tot het bittere einde vasthouden aan onze linguïstische veren, niet alleen omdat ze zo mooi staan en zo fijn zitten, maar ook omdat je er zo lekker dwars mee kunt pronken.

Geplaatst in Column.