Mark van Tongele – Roeivlucht

‘Lichtklankkleurig werkelijkheid uitspreken’

door Hans Puper




Roeivlucht, de nieuwe bundel van Mark van Tongele, voelt aan als een aangename, hernieuwde kennismaking. Je raakt opnieuw in de ban van zijn lichtheid, die de duisternis even moet doen vergeten en de woordenschat waaruit hij put: ‘Scheefschaatsrijders op de waterspiegel. / De withalsvliegenvanger, de kiekendief. // Rattenstaartlarven. Geldduimvlerken, / kwezelwormen en bastaardkikkers’, lezen we op p. 30. Maar woorden moet je veroveren, ze werken niet zomaar mee, zoals blijkt uit de eerste drie disticha van ‘Wil je me de dag even aangeven?’

Terwijl ik al sprekend voort-
leef, in wording verkeer.

Terwijl het klinkt is een woord
niet meer up-to-date. Onvermijdelijk

heeft het daarbij zijn betekenis
als ballast en bron van onenigheid.

(p. 28).

Dit gedicht eindigt met de regel: ‘Voor de roeivlucht is kracht nodig.’ Een roeivlucht ‘is de baltsvlucht van de zwarte stern, waarbij het mannetje zich met een prooi in de snavel uitslooft voor het vrouwtje’, staat er op het achterplat. De dichter als stern, zijn gedicht als prooi en de lezer als het vrouwtje – zo kun je het lezen. De dichter wil hem of haar er graag bij betrekken, want er staat nogal wat op het spel en dat zie je al in ‘Doe je mee?’, het eerste gedicht.

Doe je mee?

Zich een zeespiegel voorhouden:

doorruisende woorden waarin doods-
gedachten oplossen, even vrij zijn.

Ik vind het leuk jou die te geven.
Dat het doodaardig mag worden!

In dit kolkgat waarin wij roezemoezend
ons afjakkeren en opdirken voortdurend

uitgeslepen en gepolijst zoals rolkeien
die overgeleverd zijn aan de eerstvolgende

hoge waterstanden, wat kunnen wij anders
dan zo kansrijk en ontvankelijk als het kan

resonant elkander helpen overleven?
Ik reik je de hand, hier, ervaar toe!

(p. 9)

De dood is in ieder gedicht aanwezig, impliciet of expliciet, dat is de grondtoon. Om je even van doodsgedachten te verlossen heb je woorden nodig, doorruisende woorden die moeten worden gelezen. Dichter en lezer hebben elkaar nodig, je moet elkaar helpen te overleven. En dat lukt alleen als het gedicht licht uitstraalt. Hoe krijgt de dichter dat voor elkaar? Door ontvankelijk te zijn, al zijn zintuigen open te stellen.

Welluiding

Het ontwaren van een glans
die zich over alles heen spreidt.

Ik zie geliefden wiens lippen
opparelen als ze elkaar zoenen.

Ik hoor hemel en zee zich tinten
met klare tonen van blauw. Licht-

klankkleurig werkelijkheid uitspreken
in een verlangen er zon in te brengen.

Tongpuntig bronsignalen geven.
Wemelend en onverdroten.

(p. 36)

Mooi is de synesthesie ‘ik hoor hemel en zee zich tinten’ in combinatie met de nieuwvorming ‘lichtklankkleurig’, waardoor de veelgebruikte metafoor ‘klankkleur’ zijn glans weer terugkrijgt. En ‘Tongpuntig bronsignalen geven’: dat gaat over dichten èn geliefden die elkaar zoenen – kan het lichter?
Het fysieke van klank speelt een speelt een zeer belangrijke rol in zijn poëzie. Dat heeft Van Tongele gemeen met concrete dichters, die bovendien net als hij vaststellen dat de betekenis van woorden hinderlijk kan zijn. Voor hen is dat de reden om in hun poëzie de woordbetekenissen geheel uit te bannen, maar dat is bij Van Tongele ondenkbaar. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het volgende gedicht over het ontstaan van poëzie. Lees het hardop, dan komt het volkomen tot zijn recht.

Uit het ongetemde wordt schoonheid geboren

Daar waar de gedachten bruisen, de bodem van het bewustzijn
rusteloos is, komen na het droogvallen openbaringen aan

het licht. Strottenhoofd, longen, lucht. Duur en intensiteit
van een ruisplofje. Het permanente, het werkgeheugen.

Het water zakt weg en de warme zon doet de rest.
Even, heel even toont de zee haar tedere nuances.

De stembandtrilling in de volgende klinker.
De aanmaak van verbonden spraak.

(p. 25)

Je moet een strijd met de combinatie van woordvorm en de betekenissen aangaan, daar krijg je energie van, ‘Woordwerkplaatsenergie’. Ook aan het eind van het volgende gedicht zien we weer wat het juiste woord vermag.

Woordwerkplaatsenergie

IJzerhard herfsttijloos warkruid
zwarte mosterd boskartelblos rijs-
bes haarbladaderranonkel long-
drinker bottelroos paarlevinker
van de tongriem gesneden lente-
zwier stofzaad zomeradonis net-
vlies spiegelklok porseleinbloempje
zeepostelein ruige scheefkelk elkeen
steenbreek oorschelp dauwnetel heel-
blaadjes kraaiheide wij akkerwinde
omdat het licht binnen woorddruppels
wordt gereflecteerd staan taalzegenb
ogen aan de hemel tegenover de zon.

(p. 38)

Je moet die energie wel behouden, natuurlijk. ‘Als een pak poëzie tot op de draad / versleten raakt, is er maar één middel: / onmiddellijk een nieuw laten aanmeten!’ (In ‘Alles bij elkaar’, het laatste gedicht, p. 54).

De vormgeving van de bundel sluit daar op een prachtige manier bij aan. Op het voorplat zie je een zwevende vogel. Op de titelpagina staat er nog een, dan volgen de pagina’s met het colofon en de inhoudsopgave, vervolgens een pagina wit en dan komt er nog eentje met zo’n vogel. De bladzijden schijnen door en dan zie je dat het ook accolades kunnen zijn en daartussen staat de inhoudsopgave. Ze kunnen de functie hebben van haakjes. Geeft Van Tongele een knipoog? Zet hij dit pak poëzie tussen haakjes, omdat het eens versleten zal raken? Kan zijn, maar vooralsnog is het een sieraad in mijn kast.

____

Mark van Tongele (2021). Roeivlucht. Atlas Contact, 54 blz. € 19,99. ISBN 9789025471330

Geplaatst in Recensies.