Jozef Deleu (samenstelling) – Het Liegend Konijn 2021 / 2

Voor de broodnodige variatie

door Hans Puper




Het Liegend Konijn 2021/2 bevat bijdragen van bekende dichters als Mischa Andriessen, Anneke Brassinga, Eva Gerlach, Esther Jansma, Ruth Lasters, Marieke Lucas Rijneveld en Mustafa Stitou – de opsomming is niet volledig. Die van de dichters die nog geen bundel hebben gepubliceerd is dat wel: Alara Adilow, Christophe Batens, Ann Bellemans, Eelkje Christine Bosch, Jonas Bruyneel, Pieter Claeys, Hamide Doğan, Flip Filz, Filip Rogiers, Joep Stapel en Bert Struyvé.

Vorm en inhoud zijn heel gevarieerd; ik geef een paar voorbeelden.

Lucas Hirsch schreef ‘Ashuis’ (p. 100 – 106), een huiveringwekkende reeks van zestien prozagedichten, waarvan twee met regelafbreking. Verdriet, pijn en woede strijden om voorrang. De grootvader van de dichter overleefde Auschwitz, had afgrijselijke nachtmerries waarin hij tot bloedens toe op zijn tong beet en hij viel, toen hij dement werd, definitief terug in zijn verleden. Zijn verloofde overleefde de oorlog niet, zijn latere vrouw stierf door alle ellende een veel te vroege dood. Maar ook de confrontaties met hedendaagse kwaadaardigheid, het relativisme en niet in het minst de onwetendheid wekken verdriet, pijn en woede op.
De dichter ontkomt niet aan een virulent anti-semitisme. In de eerste regel van het volgende gedicht verwijst hij naar het voormalige warenhuis Hirsch & Cie, dat was gevestigd in het tegenwoordige Hirschgebouw op het Leidseplein.

14.

Of ik van het warenhuis in Amsterdam ben en familie
rijk en machtig alles naar mijn hand kan zetten
Iemand uit het literaire wereldje meende dat mijn vader geld en invloed had gebruikt
om mij te laten debuteren
Dat ik van een trustfonds leef
Er geld kleeft aan mijn achternaam (mijn ouders waren beiden leraar
rijker werd het niet)
De brutalen denken het te zien en zeggen:
Krullen, neus, ik dacht het al maar weten niet
dat moeders kant van Java komt
Ik op haar vader lijk en net zo Joods als Indisch kaaskop ben (oma een was Achterhoeks
oma twee een Rotterdamse)
Ik weet mijn wit is niet genoeg voor wit
Te wit voor zwart en Europees voor Aziatisch
In Zuid ben ik een goj, in West een kankerjood
Van tijd tot tijd heb ik een hekel aan mijn naam
Heb ik de neiging om mijn onbesneden pik onder onbeleefde en
onwetende neuzen te rubben
L’chaim en tempo doeloe met je ongepaste vragen, motherfucker, te zeggen
Niet mijn huid maar mijn naam
roept ongemakkelijke vragen op

De woede spat ervan af en de ongepolijste vorm past daarbij.

Ook Esther Jansma schreef een reeks prozagedichten, maar die hebben een totaal ander karakter. Jansma leidt ze in met een ‘gewoon’ gedicht, het derde prozagedicht bevat er ook een, en, heel bijzonder, het slot bestaat uit een interview dat bij het verhaal hoort. De titel is ‘Het verhaal van de zeeroversdochter’ en het begint spannend: ‘Op een zonnige lentenamiddag stond er een oudere / man voor mijn deur. Hij had alleen zijn ondergoed aan. / Of hij naar binnen mocht. Hij was een beroemde / dichter en had een verhaal over vroeger voor me.’ (‘Het begin’, p. 108). Meer wil ik er niet over zeggen. Lees het zelf, zou ik zeggen. U zult er geen spijt van krijgen.

Sabine Kars schreef een serie van negen gedichten: ‘Waarom zo koud’, waarin zij angst, verlatenheid, wanhoop en desoriëntatie indrukwekkend verbeeldt. Ik citeer het eerste gedicht.    

.           1. Gisteren wist ik me geborgen

toen was je nog in de buurt
om me op te tillen

het licht is hier krankzinnig het zoemen
houdt aan het woeden de omvang
van de lage tonen onder de pels

wolfwerende netten
het is zo vaak verkeerd begrepen

de tollende wind de dwazen
hangend in palen de clown in de dakrand
hun roep mijn polsslag maakt me bang

kom terug
het zet nu door
ook de botten zijn aangedaan

hou me vast het is niet
dat ik huil maar straks
knakken de poten hou me vast

het is niet dat ik huil
maar straks knakken de poten

(p. 124)

Er is geen moeder meer om clowns uit de dakrand te jagen, er is alleen de angstwekkende werkelijkheid. De laatste drie strofen zijn huiveringwekkend. Je voelt de wanhoop en paniek: de pauze na ‘straks’ in de voorlaatste strofe en vervolgens in een adem ‘knakken de poten hou me vast’ en dan nog eens de herhaling in de laatste strofe. De combinatie met ‘het is niet dat ik huil’ – ik ben flink – maakt het extra schrijnend.

Van Ann Bellemans is de reeks ‘(W)eerloos’ opgenomen. Ze zijn direct toegankelijk. Het tweede gaat over een terugblik op een benauwend huwelijksleven.

Krater

Ik herinner mij het
Gekras van het bestek
En het kauwen van mijn tafelgenoot
Woorden boden zich niet spontaan aan

Ik wist niet wat ik moest zeggen
En ook niet hoe ik moest leven

Ik praatte met de hond aan het kabbelend beekje
En vroeg mij af of hij zich vrij voelde

Ik zag in de zoo de gevangen dieren
De lege blik in hun ogen
hun wezenloze heen en weer geloop
kon ik niet verdragen
Ik schaamde mij voor hun lijden

De mensen om mij heen lachten
En likten aan hun ijsjes

Met hun lange tong

(p. 39)

Een rijke oogst. Ik zou veel meer dichters kunnen noemen, zoals Dominique de Groen met haar fascinerende reeks ‘Slangen 11.12.13’ of de gedichten van Mischa Andriessen – ik zal me die blijven herinneren als de ‘Dat het het’- gedichten.

Mijn oordeel over ‘Het Liegend Konijn’ wordt eentonig. Gelukkig maar.

____

Het Liegend Konijn 2021/2. Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie. (2021). Onder redactie van Jozef Deleu. Pelckmans, 260 blz. € 20,00. ISBN 978946383301

Geplaatst in Recensies.