“De poëzie lijkt er altijd al te zijn geweest”

Paul Bezembinder studeerde theoretische natuurkunde in Nijmegen. In zijn poëzie zoekt hij vooral in klassieke versvormen en thema’s naar de balans tussen serieuze poëzie, pastiche en smartlap. Zijn gedichten en vertalingen (Russisch-Nederlands) verschenen in verschillende (online) literaire tijdschriften. Hij publiceerde de bundels Kwatrijnen (2018), Gedichten (2020, heruitgave) en Parkzicht (2020). Bij Meander is hij lid van de kopijredactie.
Alja Spaan stelde hem een paar vragen

foto (c) Bart van Overbeeke

 

Hoe ben je bij Meander terecht gekomen? En wat doe je bij Meander?
Op zeker moment werd ik benaderd door Alja Spaan met de vraag of ik tijd en zin had toe te treden tot de kopijredactie. Ik heb daar vrijwel onmiddellijk ja op gezegd. De kopijredactie beoordeelt inkomende gedichten op hun belang voor de Meander-site. Zijn ze het waard op de site te verschijnen? Niet alles is poëzie.

Wat vind je leuk aan deze klus?
De veelheid aan gedichten die ik onder ogen krijg, in allerlei soorten en maten, in allerlei stadia van complexiteit en ontwikkeling, brengt me ertoe systematisch over poëzie na te (blijven) denken – en dat helpt me dan weer om in mijn eigen poëzie verder te groeien. Door aan Meander bij te dragen, draag ik ook bij aan mezelf.

Kun je je herinneren hoe je met poëzie in aanraking kwam?
Nee. De poëzie lijkt er altijd al te zijn geweest, een illusie natuurlijk – maar een illusie die ik graag koester. Op het gymnasium bracht ik de burgerij in verwarring door luidkeels Lucebert te declameren. (Zoals dat hoort op die leeftijd.) In mijn studietijd sloeg huisgenoot René Puthaar mij met Hölderlin, Leopold en T.S. Eliot om de oren. In de baan waarin ik mij verveelde, ontdekte ik de Russen, vooral Brodsky en Mandelstam. De poëzie is een altijd aanwezige onderstroom in mijn leven, een grondtoon die er ook is als ik er even geen oor voor heb.

Wat vind je van het poëtisch klimaat in ons taalgebied?
Ai. Een pijnlijke vraag. Nederlands is naar mijn waarneming niet langer echt een cultuurtaal. De elite kiest voor steenkolenengels. Laaggeletterdheid en ontlezing bepalen het cultuurbeleid. Eindhoven, mijn stad, het centrum van onze maakindustrie en met 236.000 inwoners toch de vijfde stad van Nederland, heeft één echte boekhandel. Achter de subsidies, van overheidswege een noodgreep, gaan veelal buitenliteraire beleidsdoelen schuil: burgerschap, participatie, inclusiviteit en dergelijke. Er is een ‘Deltaplan voor de universitaire talenstudies’. Er is een lerarentekort. Op de bibliotheken wordt bezuinigd. Het Institut Neérlandais is opgedoekt. De grote schrijvers van de laatste twintig jaar hebben hetzij hun biezen gepakt (Grunberg, Pfeijffer, Nooteboom), hetzij hun bagage elders verworven (Abdolah, Bouazza). Enzovoort, enzovoort. We leven in een eeuwigdurend tijdloos nu. Door het jaar heen valt het niet zo op, maar als ik in de vakantie in Frankrijk Rimbaud in de supermarkt zie liggen, dan breek ik. Eeuwen literatuur zijn er in vrijwel elke uithoek in mooie en betaalbare edities verkrijgbaar. Alsof je een Vondeltje oppikt in Beetsterzwaag. De eenzaamheid en ontreddering te onzent zijn dan niet langer weg te redeneren.

Wat is de rol van Meander?
Meander biedt de poëzie in ons land structureel een thuishaven. Het is in de culturele context die ik zojuist aanstipte een klein wonder dat een enkel op vrijwilligers draaiende organisatie als Meander deze belangrijke rol sinds 1995 weet te vervullen. Dat is iets om dankbaar voor te zijn.

Drie eigen gedichten 

Dichterschap

Hij gaf verdwenen talen. Aan een school
in Rotterdam. Daaruit ontstond misschien
die diepe eenzaamheid die in hem school,
de angst dat iemand hem zou willen zien
om wie hij was, – om wie hij had te zijn,
een fluisteraar van oude stemmen zacht
die zich in peppels om de woning klein
verstopten voor de stiltes van de nacht.
In memoriam Joseph Brodsky

Dat het gevoel geïncarneerd te zijn
niet doorbreekt, Iosif, is niet werkelijk
jouw fout. Als abstractie en scholastiek
een uitweg bieden als het ongeluk
verstoppertje spelen wil met de pijn,
so be it. Velen worden geestesziek
nadat het ziektebeeld is vastgesteld.
‘Een parasiet.’ Er wordt niet bij verteld
wat verder de verwachtingen nog zijn.
Jij overleeft het, Joseph, gaat publiek,
wordt een socialite of sorts en laat
jouw duizelingwekkende acrobatiek
een stug verlangen naar de verte zijn.
En nu jij voorgoed vertrokken bent,
nou missen we jou en je vreselijke
enjambementen, jouw smartelijke
sjamanenstem, je gedichten, je pijn.
Het kamerscherm

Bij dag is hij een welbespraakte man:
met al zijn sprezzatura, zijn parrhesia
(dus: ut pictura, ergo, hence, et cetera)
is híȷ́ het die de dichtkunst duiden kan.

Dan valt de nacht. Hij zwijgt, en wacht,
en hoopt dan dat zijn muze hem nog iets
onthullen wil. Achter de schermen draagt
zij echter niets. ‒ Niets dat de pijn verzacht.

 

Geplaatst in Interviews.