Annemarie Estor – Onster Target

Verlangen naar de tijd van voor het denken

door Johan Reijmerink




‘Voor veel mensen heeft poëzie eeuwigheidswaarde. Voor mij is poëzie iets voorlopigs. Elk gedicht is als een voorlopig antwoord op een niet gestelde vraag’, aldus Maud Vanhauwaert. Is het niet zo, dat er niet altijd een vraag, al dan niet bewust, ten grondslag ligt aan een gedicht? Ik zou zeker niet durven beweren dat de poëzie uit de nieuwe bundel Onster Target (2021) van Annemarie Estor voor mij eeuwigheidswaarde bezit, maar deze bundel zet me als lezer wel degelijk voor de vraag die ik mezelf de laatste jaren dikwijls heb gesteld, in wat voor maatschappij we met elkaar zijn terechtgekomen. Ik ben me er tegelijkertijd van bewust dat het dichterschap zich niet al te gemakkelijk mag lenen voor maatschappijkritiek, maar de verontrusting over de inrichting van de samenleving kan zo verstikkend zijn dat de dichter het niet meer kan nalaten er zich – met de nodige distantie want niet minder direct – over uit te spreken:

Ik weet het zeker
in de verte zie ik de rode lichten oprukken
van het groottandig monster
dat de eerbiedwaardige kogeldistels komt platwalsen.

Eer! Bied!
Eer! Bied!

Dat

schreeuw ik door de maanverlichte vallei

die zilveren sieraden draagt
op haar wijde wimpers,
op haar knoppen vol lippen,
op haar heimelijke mineraal,

die zojuist met de alarmroep der wereld
is besprenkeld.

Hoe onheilspellend wil je het hebben! Haar gedichten doen me denken aan de sprookjeswereld voor onschuldige kinderen die zich van geen kwaad bewust zijn. De begeleidende, suggestieve aquarellen roepen verschrikkingen wakker die liggen opgeslagen in de gedichten. Ze halen in mij herinneringen op aan de aan angst uitdrukking gevende gezichtsaquarellen van Marlène Dumas of de ellendige vertekeningen van de onder invloed van dementie aangetaste mensengezichten door Herman van Hoogdalem. Beeld en woord strijden in deze bundel om de voorrang. Vooralsnog gaat mijn voorkeur uit naar het woord. Estor heeft beslist in woord en beeld gevoel voor het macabere, het monsterlijke, het weerzinwekkende. Ze lijkt het als het ware van zich af te moeten schrijven. Uit alles spreekt haar afkeer: ‘voor de netende normen. / Voor de teekste tabellen met kwalificaties. / Voor de slogans met scharnierende woorden.’

Het dringt zich alles aan haar op:

Berg je, kind,
voor de flikkerende targets
aan de horizon.

Voor de rode alarmschreeuw
en 360 de zenuwen
van het zwaailicht zwaai
dat hoog uitpaalt

boven je veld vol bloemen
die proberen en proberen
om in slaapzaadjeslaap te komen.

Je vraagt je als lezer en kijker onmiddellijk af, hoeveel angst voor wat komen gaat, moet er in deze dichter en beeldend kunstenaar zijn gevaren, dat ze het nodig heeft om op deze wijze zich als kunstenaar te presenteren. Estor is voor mij bovenal een grensganger, die er niet voor terugdeinst om in woord en beeld de grens van het betamelijke, het vertrouwde en het gangbare over te gaan. Wat ik me wel al lezend afvroeg, is of ze haar gedichten wel genoeg ziet ‘als een afgebroken schaakspel’, zoals Rutger Kopland het zo fraai uitdrukte. Een gedicht moet mogelijkheden voor de lezer openlaten. Het mag geen sluitend, afgerond geheel zijn. Blijft er in haar gedichten voldoende te raden over? En is dat nog wel interessant en opmerkelijk genoeg, opdat de lezer de opgetekende werkelijkheid als bevreemdend gaat ervaren? In eerste instantie dacht ik dat ze te eenduidig, te weinig ambigu schrijft, maar in tweede instantie geef ik haar het voordeel van de twijfel als ik afga op haar verrassend woordgebruik in de vorm van nieuwvormingen als ‘het fretten van normen’, ‘slaapzaadjeslaap’ ‘dopaminedruipende aanschouwing’ of ‘de netende normen’. Ook haar compacte stijl van schrijven waarin de herhaling een voorname stijlfiguur is, dragen bij tot de kracht van haar poëzie dat hier en daar een statementachtig karakter heeft: ‘Het is tegenwoordig / blazen met de bloedeloze vingers van de kennis. // Tanken met de teugels tussen de tanden.’

Estor moet niets hebben van die ‘economische vooruitflitsen’. Ze achtervolgen je en jagen je op in onze maatschappij.

zelfs al ga je schrammend door het maquis

tot het alleronbereikbaarst paradijs
tot het alleronbereikbaarst kadasternummer

waar kadavers van bomen staan
die de strijd tegen Onster Target zwikkend verloren
getuige de klemme korstmossen.

Niet het Monster Target als geestverruimend drankje, maar het monsterachtig gedrocht dat we wereldeconomie noemen, en alles wat daaruit voortvloeit, bedreigt ons dag in dag uit. Kijk naar de natuur om ons heen hoe zij ervoor staat. Ook met ons hulpdenkconstructie ‘God’ als een exterieure referentie waarop we ons vertrouwen in het verleden gewoon waren te bouwen, komen we niet meer weg uit deze modderpoel van targets, ‘codes in vakken’, ‘markers in tabellen’ en ‘onverlate kengetallen’:

Ach, daar staat hij, God,
met zijn vingers in de modder.
Met de baggervingers in de neus,
in zijn zakken en op zijn toetsenbord.

De klei aan zijn handen.
Zijn horizonten zijn heel uit de oven gekomen,
maar hij heeft ze kapot laten vallen
en ooit kon hij glimlachen als in Saint-Tropez.

Zijn creatie is
een wrak op de bodem van de Permzee,
hulpeloos tegenover de oprukkende

Climate Change
Gender Equality
Pension Revamp
Fiscal Landslide
Foreign Investors

En ze gingen allemaal
hopeloos brak en bankroet.

De opsomming van een reeks geblindeerde verdienconstructies die via verengelsing ons geleiden langs de paden van de misleiding, omkoping en bedrog naar een heilloze toekomst, stelt niet gerust.

We zullen zelf wereldwijd de hand aan de ploeg moeten slaan om een andere houding tegenover de schepping te bewerkstelligen. We zullen moeten gaan wegkijken van ‘bodembedekkende normen’ en de ‘zaaddragende procedures’! Onder deze bizarre omstandigheden waarin we onszelf hebben gemanoeuvreerd, zullen we ons opnieuw moeten toevertrouwen aan de krachten van de natuur. We zullen ons moeten laten tuimelen ‘in de nevelen van violieren.’ Doen we het niet, dan zal nog meer zichtbaar worden dat ‘mensen prutsers zijn’. De deficieten, de tekorten, op tal van terreinen zijn enorm: ‘Niemand weet ook van / mijn geheime gezwaai soms / naar de gebroken horizonten / van God, die lompe pottenbakker.’

Toch klinkt aan het einde van de bundel nog enige hoop op, dat valt af te lezen aan de pijnbomen die alles weten van hoe is het is, was en zal zijn: ‘Ze fluisteren alles door / naar het Noorderlicht.’ Mensen blijven prutsers, maar wel ’met potsierlijke plannen / in dreunende bulldozers!’ Blijf tekeer gaan ‘tegen de doortrapsten onder hen!’ Wat de dichter ons bovenal wil voorhouden is: ‘Ik ruil / duizenden vergaderuren / voor een morgen lijsterzang.’ Ach, zegt de ik, het maakt op lijsterhoogte niet meer uit ‘of je naakt bent of niet.’ Wat doet het ertoe als je al je geld verloren hebt, je een lege bankrekening zult hebben? Wat is tegen de achtergrond van deze benarde omstandigheden waarin de aarde verkeert nog ‘de angst voor het vergaan van een droom?’ Waar de ik uiteindelijk op hoopt, naar verlangt, naar uitziet, is:

de tijd van voor het denken,
de tijd van voor het rekenen.
De tijd dat je nog niet wist wat rekenen was.

We maken plannen achter onze toetsenborden, maar we voeren ze tot op heden helaas nog niet uit. Alleen leven als in de tijd van voor het denken, kan ons vrijmaken van het redeneren, bedenken en rapporteren. De vragen blijven bestaan, de antwoorden blijven tot op heden uit. Estor spreekt zich bijkans pamflettistisch uit in deze korte krachtige verzen die weinig aan het misverstand overlaten.
____

Annemarie Estor (2021). Onster Target. PoëzieCentrum, 45 blz. € 20,00. ISBN 9 789056554095

Geplaatst in Recensies.