Francis Cromphout – Tijdcapsule

Ademberovende intensiteit zonder opsmuk

door Kamiel Choi



Het duurde een paar weken voordat ik de moed kon opbrengen om de bundel Tijdscapsule te recenseren. Toen ik, zelf vader van een jonge meid van acht, las dat deze poëzie draait om de dochter van de auteur die niet ouder is geworden dan achttien, wilde ik erover schrijven. Ik wist ook dat het geen standaardrecensie zou worden. Ik wil niet te lang stilstaan bij uiterlijkheden – het volstaat hier te vermelden dat het binnenwerk aangenaam is vormgegeven en dat het ontbreken van hoofdletters en leestekens past bij dit soort poëzie, die een intens woordloos gevoel langs de smokkelroute van de woorden wil overdragen op de lezer. Daarbij zouden kapitalen en komma’s alleen maar in de weg zitten.

In sobere staccatozinnen wordt hier onnoemelijk leed verwoord (‘onderzocht’ zou men tegenwoordig schrijven, maar ik vind de notie dat poëzie iets onderzoekt onzuiver. Het veronderstelt een hypothese die getoetst kan worden, een activiteit, terwijl de dichter zich moet laten raken (passief) door wat hem overkomt). De gedichten maken stuk voor stuk een hevige indruk op de lezer, de sobere woorden zijn geen weeklacht, ze dwingen de lezer tot het besef dat alle woorden teveel zijn. Het is de wrange ervaring van sprakeloosheid, die hier juist met behulp van de taal in al haar onbeholpenheid wordt gecommuniceerd.

De wijding is ‘voor Alejandra’ en wordt gevolgd door een citaat van David Grossman over ‘buiten de tijd’ zijn en een van Paul Eluard over liefde en afwezigheid. De eerste afdeling van de bundel, ‘Beeldspraak’, opent met een formulering die je als motto van de bundel zou kunnen lezen:

des dichters

wij schrijven om niet te verdwijnen
maar gaan dood
toch heb jij, onooglijke mier
je spoor geprikt
op dit blad naar nergens

De eerste afdeling gaat over de abstracte troost die uitgaat van de opvatting dat de dood het verlies van ons verlies is, nadat dit ons tot in het diepst van onze dromen is blijven achtervolgen: ‘dieper nog dan de droefheid / is er de droom van de droefheid / eindeloze tunnel door de diepzee / maar telkens opnieuw die droom’. Op bladzijde 11 lezen we reeds over ‘de vrijheid die de ontsnapping biedt / naar de eeuwige jachtvelden’. Hier is een dichter aan het woord die wat hij te zeggen heeft gewoon zegt: ‘ik draag een gat in mij / waarin ik soms verdwijn / de leegte die ik achterlaat / is zwaar van heel mijn zijn’. Wij mensen zijn ‘tastende botsautootjes naar de schok van de liefde / de meedogenloze liefde’ (blz. 20).

De gedichten doen Zuid-Amerikaans aan, ik zou het zo geloven als iemand zou beweren dat dit een goede vertaling is van Maria Vargas Llosa, Octavio Paz of Carlos Fuentes, auteurs die Cromphout heeft geïnterviewd voor Knack.

In de tweede afdeling blijft de auteur gewoon zeggen wat hij zeggen moet (en dit moeten heeft bij deze bundel de zwaarst mogelijke lading). De intense oprechte droefheid grijpt naar de keel in het titelgedicht (blz. 29).

tijdscapsule

alles van jou gebeurt in het verleden
binnen de tijdscapsule van het voortschrijdend nu
naar de toekomst waar je niet meer zal zijn

alles van jou wat onze zintuigen bezocht
flarden van de herinnering
opduikend voortdurend
en weer weggeduwd
door andere gedeelde momenten

tot de zee in ons opzwelt
en ook de muziek geen troost meer brengt
noch de distractie van de abstractie

Het tweede deel met de raadselachtige, confronterende titel ‘Je bent niet gestorven’, gaat over een concreet individu; de gestorven dochter. Zij leeft voort in de herinnering waarin zij steeds opnieuw sterven moet. Er is sprake van de ‘zee van oneindig gemis’ (blz. 37). ‘Zwaar is je afwezigheid / de leegte van lood / die al de tijd die ik hier nog rondwaar / mijn stap zal vergezellen’ (blz. 42). De directheid is bijna ondraaglijk. Op dit niveau is het belangrijk dat de poëzie niet door de middelen van de dichtkunst wordt gehinderd en Cromphout slaagt daar bijna overal in. De poëtische kracht van de bundel ligt in de anti-lyriek.

De lezer op zoek naar instant troost voor op de koffietafel komt bedrogen uit. Zijn adem stokt. De enige troost, waarop zich in het derde deel, ‘met het leven bijeen’, de blik voorzichtig richt, is ‘dat we het kunnen delen’.

de liefde of zijn afwezigheid
is het enige wat is (blz. 62)

Een verzameling poëzie is altijd een tijdscapsule; Cromphout zegt dat expliciet om ons te herinneren aan hoe moeilijk het fenomeen tijd is. Zij duurt en ons begrip, dat het met ruimtelijke metaforen moet stellen, schiet altijd te kort. We moeten deze bundel zelf ook lezen zonder de metronoom van een secondewijzer: dit is geen poëzie die je voor de aardigheid leest of om jezelf te bewijzen hoe literair je bent. Tijdscapsule vraagt om een zeer langzame en nauwkeurige lezing. De lezer die daarin slaagt ziet iets van de gitzwarte werkelijkheid ontsluierd die ons ten diepste verbroedert.

Tijdscapsule is een zeer aangrijpende bundel, waarin het meest hartverscheurende ter sprake wordt gebracht. De adem stokt. Poëzie kan zoveel meer zijn dan een zwanenzang, ze kan aanduiden tot wat een welk lijden we in staat zijn en het geloof, dat dit lijden voor de ander voorstelbaar is. De dichter heeft ons iets te zeggen. Wij zijn niet de neutrale toeschouwer, die bestaat niet. Wij lezers worden geconfronteerd met de verdichting van bijna onuitspreekbaar gemis, en er klinkt even iets van verhevenheid in door. In het milde geloof dat we elkaar, hoe onvolkomen ook, kunnen begrijpen schrijft de dichter voort. De lezer blijft aangeslagen achter en ik durf met de filosofe Martha Nussbaum te beweren, emotioneel intelligenter.

____

Francis Cromphout (2021). Tijdscapsule. Uitgeverij Beefcake Publishing, 68 blz. ISBN 9789493111752

Geplaatst in Recensies.