Literaire herinneringen aan Groningen (2)

door Rogier de Jong

Groningen was ruim een halve eeuw geleden een flinke provinciestad met zo’n honderdvijftigduizend inwoners. Ze had een uitbundig literair leven maar was nu ook weer niet zo groot dat je niet vroeg of laat met een letterkundige in aanraking kon komen, zelfs als je niets om literatuur gaf.
Toen ik in oktober 2021 na jaren mijn geboortestad weer eens opzocht, deed ik natuurlijk het gloednieuwe Forum aan, dat veelkantige gebouw van vijfenveertig meter hoog dat in 2019 zijn deuren opende en waarvoor een hele wand van de Grote Markt moest worden gesloopt. Vanaf het dakterras heb je een weids uitzicht over het ommeland, maar vooral over de stad. Vanaf die hoge plek openbaart zij zich als een plattegrond waarop je je eigen geschiedenis kunt aanwijzen. Groningse literatoren nemen daarin in mijn geval een bescheiden, maar daarom niet minder belangrijke plaats in.

Noordelijk
Ten noorden van het Forum ligt de Korrewegwijk, de buurt waar ik in 1952 ben geboren, op een volgens mijn ouders snikhete dag.
Gerrit Krol (1934-2013) woonde er ook, evenals Hendrik de Vries (1896-1989), de beroemde dichter en beeldend kunstenaar die tussen de ‘stadjers’ opviel door zijn woeste manen en vorsende blik, en die in het interbellum furore maakte met surrealistische en vitalistische poëzie die deels op ‘het Spaanse leven’ georiënteerd was:

Koorts

Hoor! Zo is nooit gezongen! Hoor!
‘t Behang bewoog.
En ’t haar van ‘t zwaar bewimperd oog.
Wat vloog
De ruimten door?

‘t Zal morgen zijn
Of ‘t niet bij nacht zo hard met zwepen
Geslagen had. –
Zie door ‘t gordijn
De geesten in hun koude schepen!

De takken schaven aan de randen
Van ‘t venster. In de verte fluit
Het altijd helder langs de landen.
De dieren op de wanden
Verdwijnen. ‘t Licht gaat uit.

Uit Verzamelde gedichten (Bert Bakker, 1993)

Naast surrealistische en vitalistische poëzie vertaalde en schreef De Vries ook vierregelige gedichten van acht lettergrepen per regel: de zogenaamde copla’s, een Spaanse dichtvorm met een soms schertsend plot (light verse zouden we tegenwoordig zeggen):

De dokter, bij mijn geboorte,
Voelde mijn pols en besloot:
‘Zolang dit kind maar blijft leven,
Gaat het in geen geval dood.’

Uit Copla’s, Amsterdam, z.j.

De Canadezen hadden bij de bevrijding van Groningen de Grote Markt grotendeels aan flarden geschoten – de sporen daarvan waren medio jaren zestig nog zichtbaar – en ook het literaire leven lag aan scherven. Schrijvers van enige betekenis waren naar het westen getrokken; De Vries behoorde tot de weinigen die na 1945 in de stad waren achtergebleven. Zijn gezondheid was niet florissant en zijn werkdrift zat ook in het slop, maar de ontmoeting met een nieuwe geliefde deed hem opveren en op aansporing van bevriende dichters als A. Marja en anderen begon hij zelfs weer te dichten en te schilderen.
Bij een expositie van zijn nieuwe werk verraste de gemeente Groningen hem bovendien met de instelling van de Hendrik de Vriesprijs. De Vries was de eerste die de prijs won. Ja, hij was terug en ‘kon niet meer stuk’. Maar zijn herwonnen succes zou na de verschijning eind jaren veertig van Toovertuin – romancen, sproken en arabesken, een bundel die de jaren daarvoor in fragmenten in literaire tijdschriften was verschenen, toch gaan tanen. De bundel leverde hem weliswaar de waardering op van onder anderen Adriaan Morriën en Willem Frederik Hermans – in die tijd redacteuren van Criterium die er speciaal voor naar Groningen afreisden – maar met de komst van de Vijftigers verdween de poëzie van De Vries uit beeld. De levensroman-op-rijm waar hij aan werkte en die hij wellicht als zijn magnum opus beschouwde, raakte gedateerd. ‘Er was geen plek meer voor negentiende-eeuwse retoriek’, vat Herman Sandman de gang van zaken in Arcadia der Poeten – Het literaire leven in Groningen 1945-2005 kernachtig samen.

Toen ik laatst de Korreweg bezocht en de portiektrappen naar mijn geboortehuis opliep, kon ik mij niet voorstellen dat mijn leven daar was begonnen. En al helemaal niet dat verderop twee beroemde literatoren hadden gewoond. Maar ja, wat is een plek. Je moet ergens beginnen.

Noordwestelijk
Terug naar het Forum. Vanaf het dakterras kijk je in noordwestelijke richting tegen de bovenste helft van ‘d’Olle Grieze’ aan (de Martinitoren), en recht daarachter zie je het deel van de diepenring dat Schuitendiep heet. In een statig grachtenpand daar woonde Herman Pieter Schönfeld Wichers (1902-1990), beter bekend als de schrijver Belcampo.


Belcampo, geboren in Naarden, had als huisarts in Overijssel gewerkt en was bij zijn aankomst in Groningen in 1953 al bekend als schrijver, ook bij het grote publiek. Zijn dochter Maartje Arian-Schonfeld Wichers schrijft daarover: ‘Liefde’s verbijstering was uitgekomen en wij waren langzamerhand al blasé geworden van de goede recensies. Veel mensen in Groningen bleken hem al als schrijver te kennen’ (Bzzlletin, 1996).
Belcampo was een non-conformist met eigen ideeën, zowel in zijn werk – hij was studentenarts aan de Rijksuniversiteit – als in het metier van auteur. Als arts hield hij twee keer per week spreekuur en hij slaakte een zucht van opluchting als er geen patiënten waren verschenen. Dat weerhield de Groningse huisartsen er niet van onder het mom van ‘broodroof’ de universiteit te dwingen studenten via Belcampo naar hen door te verwijzen. Dat die studenten dat als een welkome gelegenheid zagen om via hem voorbehoedmiddelen te verkrijgen, vond de schrijver geen punt. Het houten trompetje dat bij wijze van stethoscoop om zijn nek hing, symboliseerde zijn ceremoniële status als arts en verwees tevens ludiek naar zijn kunstenaarschap.
Ook in zijn schrijven voer Belcampo een volstrekt eigen koers. Hij schreef absurdistische verhalen die in geen enkel genre pasten en hem een eigen stroming opleverden: het belcampisme. Dat nam niet weg dat hij verschillende literaire prijzen ontving en dat zijn oeuvre in diverse talen vertaald werd.

Ik zat in mijn studeerkamer en was bezig aan mijn boek over de zelfmoord als seksuele afwijking, toen het dienstmeisje kwam melden, dat er iemand voor mij buiten stond. Ze had de voordeur niet open durven maken, omdat het al zo laat was.
Ik ging zelf naar voren en vond een oude vriend waarmee ik vroeger veel plezier had gemaakt en die ik nu in een jaar niet had gezien. Hij lag geknield op de stoep en lachte me toe.
We schudden elkaar de hand en ik zei: ‘Kom binnen en schei uit met die kinderachtigheden,’ want ik was ernstiger geworden.
Hij zei: ‘Ik kan niet,’ en meteen draaide hij zich om. Toen zag ik, dat hij al zijn ledematen miste.

Fragment uit Bladzijde uit het dagboek van een arts (belcampo.net)

Anders dan Hermans was de schrijver Belcampo niet ongelukkig met het combineren van schrijven en werk, al hield hij beide wel goed gescheiden. ‘Hij was als de dood’, schrijft Sandman, ‘dat de publiciteit omtrent zijn persoon hem te veel in zijn vrijheid zou beknotten.’ Belcampo leefde uiterst gedisciplineerd. ‘Werkte ’s ochtends als arts, trok zich tegen één uur terug [om te schrijven], ging daarna een uurtje slapen en had na het avondmaal een vrije avond.’
Daarbij vond de schrijver het belangrijk dat hij niet van zijn pen hoefde te leven: ‘Als men voor de markt schrijft, is men gedwongen concessies te doen’ (in Wim G.J. van Dijk & Belcampo – De eerste Nederlandse tiftie, Amsterdam, 1983).

Zuidwestelijk
Kijkend vanaf het Forum naar het zuidwesten, richting Groninger Museum en station, kruist de blik de Coehoornsingel. Ons gezin ging daar naar de remonstrantse kerk, een bescheiden, uit 1882 daterend gebouw midden in een warme buurt – de dames zaten ’s zondags op de achterste rij – die later ‘gesaneerd’ zou worden met woningen, bedrijfsruimtes en appartementen. Na een ingrijpende kerkverbouwing, waarbij het orgel verdween achter een witte wand, kreeg de Rotterdams-Groningse beeldend kunstenaar Edu Waskowsky van het kerkbestuur de opdracht voor die wand een kunstwerk te maken. Zo hoorde ik voor het eerst van zijn oudere broer Riekus, ook een Rotterdammer, die in 1966 zijn broer jongere broer Edu was gevolgd naar de Martinistad. Riekus was een intellectueel met eigenzinnige ideeën en voorkeuren. Zo liet hij zich voorstaan op zijn diploma van plaatwerker.


Naast plaatwerken hield Riekus Waskowsky zich ook bezig met vertalen (onder meer werk van Pablo Neruda en Evelyn Waugh) en met dichten. Hij schreef krachtige verzen, die gloedvol begonnen, maar aan het einde soms afdropen richting de uitgang. Het gedicht ‘Panta rhei’ vormt daarop een uitzondering (en sneeuw komt natuurlijk altijd uit de lucht vallen):

Panta rhei

Zoals laatst toen ik had gedroomd
dat ik duizend jaar eerder leefde.

Ik werd heel langzaam wakker en
van ver weg kwamen de stemmen van

Ko van Dijk en Hans Croiset, luid
weerkaatsend door het slot van Mathilde

van Toscane (de plaats heet Canossa),
waarvoor wij 3 dagen hadden gebivakkeerd.

Beneden in de slotkapel celebreerde
Gregorius VII een dankmis.

Moeizaam probeerde ik tot klaarheid
te komen. Waar was ik? Sliep ik nog?

Was mijn ontwaken duizend jaar later
alleen maar een droom?

Naast mijn matras op de stenen vloer
lagen mijn maliënkolder en mijn degen.

Buiten nog steeds de sneeuw.

Uit Tirade, jaargang 10

In 1968 won Riekus de Alice van Nahuysprijs voor zijn debuut Tant pis pour le clown. Maar zijn beroemdste werk is ongetwijfeld Slechts de namen der grote drinkers leven voort (De Bezige Bij, 1968).

Zowel in Nederland als daarbuiten heersten gemengde gevoelens over Waskowsky’s gedichten. Zo meende de criticus K.L. Poll dat Waskowsky’s veelvuldig gebruik van citaten alleen diende voor ‘het imponeren van de beduusde burger’ (Algemeen Handelsblad, 25-5-1968), en het Spanje van Franco verbood zelfs een gedicht (‘Canto II’) van Waskowsky voor opname in een Spaanse bloemlezing van Nederlandse poëzie (ik kon dit gedicht niet boven water krijgen, anders had ik het graag hier geplaatst, RdJ).

Riekus Waskowsky’s betekenis voor de stad Groningen is belangrijk te noemen, ondanks het feit dat hij banden bleef onderhouden met het westen: zo was hij onder meer bevriend met Jules Deelder, aan wie hij het gedicht ‘Op de sien’ opdroeg, en met Gerrit Komrij. Daarnaast kampte hij met gezondheidsproblemen die zijn literaire succes in de weg stonden, en daarmee zijn inkomsten.
Broer Edu stierf in 1976 na een slokdarmoperatie die mogelijk verband hield met zijn alcoholconsumptie. Het kunstwerk voor de kerk – een vierkant kruis – was opgeleverd (en ondersteboven aangebracht omdat de kunstenaar dronken was), maar het Joods Monument aan de Hereweg waaraan hij werkte liet hij onvoltooid achter.
Over dat kunstwerk voor de remonstrantse kerk gaat nog het verhaal dat toen het jaren later even van de muur moest wegens onderhoud, de kerk besloot het ondersteboven terug te hangen ter nagedachtenis aan Edu.

Riekus overleed een jaar later.

Gerrit Komrij herdacht Riekus in zijn NRC-column als volgt: ‘Hij ontbeerde in hoge mate de misselijke drang zich geliefd te willen maken.’
Kennelijk was dat niet alleen zo bij de ‘gezaghebbende’ kunstcoterieën, maar ook in zijn eigen gelederen. Sandman tekent een uitspraak op van de Groningse dichter en schrijver Henry Hes: ‘Riekus wilde bij een poëziemanifestatie altijd het meeste geld. Hij was immers de belangrijkste man.’
Maar dat werd hem dan ook weer vergeven: ‘Wat er ook over hem gezegd werd, hij was een swingende vogel’.

Dit is het tweede deel van een drieluik van Rogier de Jong over zijn literaire herinneringen aan de stad Groningen. Deel 1 verscheen op 13 november. Deel 3 volgt op 22 januari 2022.

 

foto’s

1) mijn geboortehuis (c) Rogier de Jong
2) (c) beeldbankgroningen.nl
3) (c) canonvannederland.nl
4) (c) joannemoleski.nl
5) (c) beeldbankgroningen.nl

Geplaatst in Column.