Senne Bogaerts – De vochtige slapeloosheid

De poëzie van pakkende titels

door Jeanine Hoedemakers




Senne Bogaerts (1994) publiceerde in Het Gezeefde Gedicht en werd o.a. opgenomen in de bloemlezing van de eerste editie van de Gopher Poëzieprijs. De vochtige slapeloosheid is zijn debuutbundel. De bundel bevat 51 genummerde pagina’s gevolgd door een inhoudsopgave. De glanzende omslag voelt plezierig zacht aan en spreekt tot de verbeelding. De titel nodigt uit.

In de flaptekst voorin de bundel lees ik dat de keuze van Senne om citaten van Joti T’Hooft en Charles Bukowski te gebruiken niet zo toevallig is, gezien de inhoudelijke raakpunten met beide dichters. In diezelfde tekst staat ook dat Senne Bogaerts al een eigen stijl heeft. Ik ken een aantal gedichten van Joti T’ Hooft, met het werk van Bukowski ben ik iets minder vertrouwd. Het maakt niet zoveel uit, liever lees ik zonder al te veel voorkennis wat de dichter me voorlegt. In dit geval ook om te voorkomen dat ik blijf steken in een zoektocht naar overeenkomsten.

De bundel is onderverdeeld in vier afdelingen die elk aanvangen met een citaat van achtereenvolgens Joti T’Hooft, Sammy Cahn, James Shelton en Charles Bukowski. De eerste serie draagt de titel: ‘een verpleegster met een scheermes’ en vangt aan met een citaat van Joti T’ Hooft. Een citaat dat ik als een samengevatte strekking van wat komen gaat, ervaar. Omdat de titel van de eerste afdeling erboven staat, is het me niet volledig duidelijk of de titel bij het citaat hoort of bij de serie. Ik ga uit van het laatste: ‘De avonden die in u ontstonden / Vinden in mij hun einde / – ik wil het geen voltooiing noemen / Omdat ik de ziekten ken en zonden // Die de ziel beletten te ontstaan.’

jij hebt beloofd honderdenvijf te worden

vanaf nu spaar ik vuilniszakken vol PET-flessendopsels
en snoei rozen tot ze mooier zijn dan in ’71.
vul dozen vol wasverzachter, Dreft, voorruitkrabbers en Ferrero Rochers

pak ze in kerstcadeaupapier om aan iedereen te geven. zelf
van het lachen te beven bij het zien van hun verbaasd gelaat.
vul vers gewassen sokken met zakdoeken, zwan worsten en multivruchtensapjes
en herhaal dit tot jij honderdenvijf wordt.

ik blijf hete ketels naar de kelder dragen tot de diepvries het kookpunt bereikt.
blijf eierdozen stapelen tot iemand ze wil
maar geef ze niet weg.
blijf de tapijttouwtjes stofzuigen tot ze recht liggen,
schop ze weer overhoop en begin opnieuw.
blijf in mijn eigen wangen knijpen en zeg: ‘eet voldoende en niet te hard werken.’

ik herhaal
tot jij honderdenvijf wordt.

ik verstop snoep in elke kast en elke hoek.

vanaf nu doe ik écht dagelijks
één goede daad, eet ik
voor de honger die komt behalve
indien er niet gewerkt is.

jij hebt beloofd honderdenvijf te worden
hoe kan het dan

dat wanneer ik morgen kom
de tafel maar enkel is gedekt.

[pag.6]

De titel van dit eerste gedicht, ‘je hebt beloofd honderdenvijf te worden’, pakt mij onmiddellijk in en het pakt gedicht als het ware alvast uit. Deze titel is zo veelzeggend dat de dichter van goede huize moet komen wil hij mij er nog van overtuigen dat wat volgt nodig is, maar dat komt helemaal in orde. Het begint al met het sparen van vuilniszakken gevolgd door rozen die mooier zijn dan in ’71. Dit laatste valt vooral op omdat de dichter van 1994 is. Regels vol enthousiaste, soms amusante besluiten, stromen me tegemoet. Het gedicht maakt nieuwsgierig naar het volgende gedicht, hetgeen mede door die laatste twee regels komt. Er volgt weer zo’n veelzeggende titel: ‘hoe de paarden de wielrenners naliepen’. Fraaie titels die al met je fantasie op de loop gaan, terwijl het gedicht nog moet beginnen. Ik vraag me af of de dichter over zijn lief schrijft of dat het toch de vader is die de hoofdrol heeft. Er staan vier gedichten in deze afdeling die bij elkaar horen en waarvan het eerste gedicht de titel ‘vader’ draagt. Gezien de verpleegster in de titel van dit deel denk ik aan een ziekbed, maar wiens ziekbed? En wat gaat ze doen met dat ‘scheermes’? Intrigerend. Nog zo’n veelzeggende titel op pagina negen: ‘mijn haar laat ik groeien omdat ik vermoed’.

De tweede afdeling begint met een citaat van Sammy Cahne en draagt de titel: ‘hoe jouw tong naar echte champagne proeft’. Ik kies uit de vele mogelijkheden voor het eerste vers van een serie van drie bij elkaar horende gedichten.

de vrijdagsboot

1
ik zie mezelf al varen op jouw boot en jij
mag daar ook bij, dat hoeft niet als je niet wil
maar ik zou het niet
erg vinden.

[pag.19]

De dichter is voortdurend in gesprek met iemand die er niet bij is of vertelt over diegene. De lezer is en blijft toeschouwer en kan enkel gissen. Is zijn geliefde overleden, is het uit? Is de serie een vervolg op de vorige serie of is het een nieuwe fase in de dichter zijn leven? Ook uit deze serie een titel die je rechtop doet zitten: ‘ik wil dat ze het kind omver rijdt’

De derde afdeling draagt de titel van de bundel: ‘de vochtige slapeloosheid’ en begint met een citaat van James Shelton.
Na enige twijfel om voor het titelgedicht te kiezen, kies ik toch voor een gedicht met wederom een titel die al voldoende lijkt te zeggen.

schuurpapier helpt soms een beetje

ik loop over de straat waar ik m’n eerste verhaal verzon
over mijn schoenen die er even uitgerafeld uitzagen als ik.

vandaag schrijf ik recepten
alsof het gedichten zijn en plant ik bloemen alsof ze mij
een verhaal gaan vertellen

en staat die pen
nog steeds op mijn arm getatoeëerd.

——                                                   —–daar geraak je nooit meer vanaf.
———                                                                            —mijn oma zei het al.

dat verhaal ging ook over dé verloren liefde
dé ex die ik steeds terug wou.

de ex die ik steeds terug wou blijkt nu mijn vriendin
en ik pieker nog steeds drie uur voor het slapen
en ik ween nog steeds wanneer ik la vie en rose hoor
en die pen staat nog steeds
op mijn arm getatoeëerd.

schuurpapier helpt soms een beetje
maar op lange termijn betwijfel ik
of ik er de vochtige slapeloosheid
mee weg krijg.

[pag. 33]

‘Mijn oma zei het al’, vriendelijk doch zeer beslist word ik met deze woorden de rol van ‘oma’ ingeschoven, ik zou het waarschijnlijk ook gezegd hebben. Ik ben er me plotseling van bewust dat er tijdens het lezen vaker sprake is van een verschil in leeftijd tussen de schrijver, een millennial, en mij, een babyboomer. Iets wat overigens niet erg is, het verklaart hooguit waarom ik de ene keer volledig opga in de woorden, terwijl ik de andere keer in die ‘oma’ lijk te veranderen.
Afdeling vier heeft als titel ‘roze opblaasdromen’ en begint met een citaat van Charles Bukowski: ‘drink more beer. / there ’s time. / and if there’s not / that’s all right / too.’

de meeste van deze dingen lijken onoplosbaar

hoe de wind de bomen tegen het raam blaast.
de bijna lege glazen beschimmelen.
de asbakken vol geraken, maar nooit leeg.

het kattenhaar op bed,
even onvermijdbaar als de zonsopkomst en de regen die altijd volgt.

terwijl jij boven op me zit
mijn gezicht vervangt door je smartphone
niet weet dat ik wacht tot het dak valt
en ons beiden uit de nachtmerrie haalt

waar jij me in droomde.

[pag.50]

In de flap achterin de bundel staat te lezen dat Senne Bogaerts na een jaar is opgehouden met de Schrijversvakschool te Amsterdam om zijn tuinbedrijf te gaan leiden. In hoeverre dit invloed heeft op zijn schrijven, zou ik niet durven zeggen. Bogaerts schrijft poëzie op twee manieren: dikwijls zit de poëzie in de originele beschrijvingen en de soms welhaast kinderlijke gedachtekronkels, vaak ook zit het verborgen tussen de regels. Daardoor ontstaat er een soort golfbeweging. Als ik de vier delen zou moeten onderverdelen in bijvoorbeeld de seizoenen, iets wat zou passen bij het leiderschap van een tuinbedrijf, dan loop ik vast. De eerste afdeling zou in mijn beleving de winter zijn, maar welke van de drie anderen is dan de lente? Misschien, bedacht ik me vanmorgen, nadenkend over een correcte formulering, laten zij zich het beste omschrijven als: het gebeuren, de schok, het ermee omgaan en als laatste het accepteren dat er een leegte achterblijft. Enkel een omschrijving als liefde of het gemis ervan, zegt onvoldoende. Er gebeurt meer in deze debuutbundel van Bogaerts. Er schuilt hier en daar een zekere gelatenheid in de woorden, verdoving, onmacht. Senne Bogaerts levert met de vochtige slapeloosheid een intrigerende opmaat af naar meer en naar dat meer ben ik, na het lezen en herlezen en ondanks het generatieverschil, heel nieuwsgierig geworden. Ondertussen geniet ik nog wat na van al die prachtige, pakkende titels. Het zijn gedichten op zich.
____

Senne Bogaerts (2021). De vochtige slapeloosheid. Uitgeverij De Zeef, 51 Blz.€ 17.00 ISBN 9789493138490

Geplaatst in Recensies.