Jonathan Griffioen – De (t)huiszittergod

De keurige redeloze

door Kamiel Choi




Hoe bespreek je een bundel die geschreven is vanuit de binnenwereld van een gek? Het politiek correcte woord op de achterflap luidt ‘redeloze’, het gaat om de échte thuiszitters die, anders dan de klagende en zich vervelende lockdownthuiszitters, een waanzinnige binnenwereld hebben om op terug te vallen. Er is waanzin voor nodig om in 2022 nog een god in het diepst van zijn gedachten te zijn, ik lees het woord ‘god’ in de titel als een verwijzing naar Willem Kloos.

Bij het bladeren door de bundel valt het bijzondere lettertype op (de typografie is verzorgd door Krijnie Gerritsen) en de bladspiegel. Griffioen maakt veel gebruik van groter gedrukte woorden of enkele letters, en langgerekte spaties tussen woorden, onderstrepingen en soms afwijkende lettertypes, al is het resultaat minder speels dan van Ostaijens Music Hall. De gedichten zijn titelloos en er is geen inhoudsopgave, dus is het vaak niet duidelijk waar een gedicht ophoudt en een nieuw gedicht begint.

De bundel opent met een tekening van Argibald van een Verrückter, zittend op een stapel stukgelezen boeken. We stellen ons iemand voor die zijn verstand heeft verlezen. Hoe bespreek je nou zo’n bundel? Laat ik beginnen met een eerste indruk te geven van een pagina uit deze bundel:

de (trechter op het hoofd
———–dragende) psychikus staat een gat te boren
———–in het hoofd van de man
———–die niet kan maar wel wil werken
———–die het moment dat de kei
———–uit zijn kop is gehaald zal gaan werken
———–extravert geworden man
———–hoopt op een gezien
———–om mee door het bos te
———–wandelen als een warm team

———–of zou hij van tevoren
———–al gedacht hebben
———–ver zit een ondiep gat
———–in mijn leven ik wil een kind
———–ik kan niet wachten tot ik
———–oppervlakkig contact heb met mijn kind

———–(blz. 31)

Het is stream of consciousness uit de wereld van de psychologie. We zien in dit gedicht een verwijzing naar schedelboring, een techniek die in de ijzertijd werd toegepast om kwade geesten te laten ontsnappen uit het hoofd van waanzinnigen. Griffioen noemt ook de kei die uit het hoofd wordt gehaald. Keisnijding is een praktijk van kwakzalvers in de Middeleeuwen die goedgelovige mensen wijsmaakten dat ze van domheid genezen konden worden door een kei uit hun hoofd te verwijderen. Wat opvalt aan dit gedicht is het woord ‘oppervlakkig’ in de laatste regel. Het onverwachte gebruik van het woord ‘oppervlakkig’ doet me denken aan Griffioens frase ‘laagopgeleid door het raam kijken’ uit zijn debuutbundel Wijk (2015). De hij uit het gedicht, dat is de thuiszittergod, wil oppervlakkig contact, omdat de allesverslindende manier waarop hij als autist de wereld ervaart hem heeft uitgeput.

Althans, zo zou ik het interpreteren. Maar of interpretatie wel de bedoeling is bij zo’n bundel? Op het geciteerde gedicht volgen pagina’s vol associatie waarin Freud op waanzinnige wijze wordt opgevoerd (‘rond zijn mond / stonden peperblonde piekharen / bijzonder duidelijk uit’). De stroom beelden zwelt aan tot een laveloos geraaskal die je als lezer moet ondergaan. Af en toe sijpelt er in deze stroom onversneden emotie door, zoals in de zin ‘en ik voelde een tedere nabijheid’ (blz. 35). De beelden daveren verder en de dichter komt over het water te spreken: ‘voor ze gaan slapen / nog heel even / in een warm bad / als verrassing / met liefde zwakte compenseren / met liefde voor macht straffen’ (blz. 39). De poëzielezer denkt hier natuurlijk aan ‘De idioot in het bad’ van M. Vasalis. In ‘normale’ poëzie zou die verwijzing niet misstaan, maar het maakt de binnenwereld van een waanzinnige minder geloofwaardig. Heeft de auteur geprobeerd de gedachtenstroom te bewerken en leesbaar te maken?

Even verderop lezen we fragmenten zoals dit:

———–een deel van jullie werd misschien niet voorgelezen
———–denk je non-verbale autist weleens aan de boeken
———–(boehoehoeboeken)
———–uit de groene kast die ieder Europees gezin
———–in het bezit heeft en het exemplaar van jouw familie
———–staat in de bijkeuken
———–waar ook jij d.w.z. je verblijfstoel geparkeerd wordt
———–na het opgieten van het vloeibare broodje
———–(je voelt de schaafwond van de trechter in je mondhoek)
———–houd je van staren naar de bijkeukenmuur
———–zou je liever in de bossen op dieren
———–schieten
———–je moeder vindt het jammer dat je niet kunt lopen
———–niet op iemand af kunt stappen
———–zou je moeder trots zijn
———–als je zelf de bivakmuts opzet

———–(blz. 47)

Het klinkt belangeloos en het gaat zo nog vele pagina’s verder. Dat kan frustreren; de lezer zoekt tevergeefs naar betekenis en schakelt ten einde raad over op een asemische lezing. Wat dan overblijft is een enorme woordenvloed die een enkel mooi fragment op het strand van onze verbeelding spoelt, zoals ‘als de baan van een eend met een afgeknipt pootje’ (blz. 38) of ‘grazen fikse ooien onder zachtbehaarde jonge takken’ (blz. 58) of ‘wolbladige vruchtlichamen volle rozenmusmond’ (bz. 52). Helaas maakt de poëzie als geheel weinig indruk.

De bundel had wellicht ruiger, rauwer mogen zijn om de binnenwereld van de ‘redeloze’ geloofwaardiger te maken. De typografie, de bladspiegel, de grammatica, alles is te netjes en dat is funest in de queeste naar de heilige graal van ons tijdsgewricht: de veelgeloofde authenticiteit. De poëtica achter deze bundel lijkt daarom te vragen om verdere ontwikkeling, in de richting van iets waar helemaal geen touw aan vast te knopen is – en wellicht juist daardoor voor een sublieme ervaring zorgt bij lezers die zich laten losslaan.

Griffioen zei ooit in een interview voor Trouw dat hij de neiging heeft om taal letterlijk te nemen. Dat zie je terug aan de manier waarop hij beelden aan elkaar rijgt in deze bundel. De particuliere beelden zijn opgesteld als een lange rij dominostenen met af en toe wat te veel ruimte ertussen, waardoor de bundel af en toe stokt. De algemene uitspraken over de zielzorg waarmee de bundel is doorspekt, leiden daarom wat af bij het lezen. Ze zijn soms zo fris en grappig dat ze uit een ander universum lijken te komen: ‘o psychoanalisten / van de twintigste eeuw / die nu in de eenentwintigste eeuw / met z’n allen in / Frankrijk wonen’ (blz. 44). De bizarre binnenwereld van de ‘redeloze’ lijkt hier even onderbroken. De bundel staat vol fraaie vondsten, die best heel authentiek en urgent zullen zijn, maar hij is voor mij niet grillig genoeg.
____

Jonathan Griffioen (2022). De (t)huiszittergod. Lebowski, 59 blz. € 19,99. ISBN 9789048851003

Geplaatst in Recensies.