“Ik heb het over troostende poëzie als onverhoopte uitkomst.”

Nicolas Van Herck (1986) is een Antwerpse dichter, schrijver en socioloog. Hij won de Rob De Vos-prijs van Meander-magazine, de ‘mooiste zin’ in Oostende en haalde twee keer de top 100 van De Gedichtenwedstrijd. Werk van hem werd gepubliceerd in Kluger Hans, Deus Ex Machina en Het Gezeefde Gedicht.
Alja Spaan sprak met hem.

foto (c) Patrick Verbeeck

Je bent bij ons bekend als winnaar van de Rob de Vos-prijs 2021. Waarom deed je mee aan die wedstrijd ?
Ik ben bij Meander terecht gekomen via de poëziekalender 2012 van Gerrit Komrij.  De manier waarop hij over poëzie schreef, heeft mijn blik op gedichten veranderd. Elke regel die hij over literatuur lanceerde, sprak hij ergens later even stellig weer tegen. Zo wist hij op zijn eigen zacht provocerende manier de poëzie wellicht nog het best te vatten.

In die kalender nam hij ook een gedicht op van Ellen Deckwitz. ‘Vooral lichamen van zondige kinderen scheiden een stof af, waardoor eiken harder groeien en vandaag ben ik twaalf.’ Dit soort zinnen was ik in de poëzie nog niet tegengekomen. Ik kocht meteen de bundel.

Ook de uitleg van Komrij over haar gedicht bleef me bij. Deckwitz had meerdere aanpassingen aangebracht tussen de publicatie in Meander en haar debuutbundel. Dat Meander nog onvolmaakte gedichten ook een kans gaf, trok mijn aandacht.

Denk je niet dat de combinatie poëzie/wedstrijd een ongelukkige is? (Los van het heuglijk feit dat je won?)
De geschiedenis wordt vaak door overwinnaars geschreven. De verliezers komen zelden aan het woord. Ook in natuurdocumentaires zien we die ene keer dat de leeuw de antilope te grazen neemt en niet de talrijke mislukte pogingen die daaraan vooraf gaan. Hierdoor gaat een deel van het verhaal verloren.

Wedstrijden zijn in hetzelfde bedje ziek. Alleen de winnaars zijn zichtbaar. Terwijl verhalen pas gelaagd worden wanneer ze eveneens oog hebben voor mislukkingen. Vandaar dat de uitleg van Komrij over groeiende gedichten me zo aansprak. Welke littekens nemen we waar in gedichten?

Zie je je eigen gedichten ook als onaf?
Toen ik pas afstudeerde, had ik een relatie met een schrijfster en theatermaakster. Zij was geschoold in taal- en letterkunde en we bekritiseerden elkaars werk voortdurend. Zij heeft me ertoe aangezet om mijn gedichten te blijven uitpuren. Er zijn gedichten waar ik al tien jaar aan bijschaaf, terwijl ik elk jaar opnieuw dacht dat ze af waren.

Onze samenleving verandert de hele tijd: je moet levenslang leren, politici worden vervangen, de mode kent haar seizoenen, … Natuurlijk kijk je door het ouder worden anders naar je eigen schrijven. Waarom zouden gedichten dan niet voortdurend mogen veranderen?

Wat voor soort erkenning krijg je als je een prijs wint en in hoeverre verandert het je poëzie of je rol als dichter?
Naar de Gedichtenwedstrijd stuurde ik drie jaar na elkaar hetzelfde gedicht. Twee keer werd het niet geselecteerd. De derde keer stond het meteen in de top 100. Het relativeert mijn geloof in wedstrijden. Vaak blijft het bij het oordeel van een handvol lezers met een zeer specifieke smaak. Ik vertel dat verhaal vaak, omdat ik het belangrijk vind dat mensen niet ontgoocheld raken in hun eigen kunnen, omdat ze geen wedstrijden winnen.

Tegelijkertijd moet ik eerlijk zijn: wanneer een jury van poëziekenners je gedicht een eerste prijs toekent, is dat een vorm van officiële erkenning. Het moet een beetje voelen zoals een vliegtuigontwerper die zijn creatie voor het eerst ziet opstijgen, maar dan met woorden. Het opent ook deuren: je krijgt er nieuwe lezers bij en ook de kans om over je gedichten te praten.

Je won ook een wedstrijd voor ‘de mooiste zin’. Is dit onderdeel van een veroveringsronde?
Ik merk dat er interesse bestaat voor mijn gedichten en dat ik via sociale media ook een publiek bereik dat breder gaat dan louter poëzieliefhebbers. Ik wil in interactie gaan met dat publiek. Op podia bracht ik een tijd een ‘verkiezing van het meest aandoenlijke gedicht’. De toeschouwers mochten dan stemmen voor het meest kwetsbare gedicht, waardoor ze gedwongen werden actief na te denken over wat het gedicht met hen deed. Ik wil mensen aanmoedigen om over poëzie te praten, in plaats van over het nieuws of het weerbericht.

Is er al een uitgever die zich gemeld heeft na deze wapenfeiten? 
Ik werk momenteel aan een bundel die voornamelijk is bedoeld om cadeau te geven. Ik wil dat mensen erin lezen, een gedicht selecteren en de bundel doorgeven. Poëzie hoeft niet iets te zijn dat je voor jezelf op een boekenplank verzamelt. Je kan gedichten ook delen met vrienden en familie. Het zal gesprekken opleveren, die je niet eerder hebt gevoerd.

Ik ben daarin ambitieus. Ik wil met mijn gedichten een breed publiek laten kennismaken met toegankelijke en tegelijkertijd conceptuele poëzie. Ik zoek een uitgever die niet gewoonweg wil publiceren, maar die mee de uitdaging aangaat mensen op een andere manier met poëzie in contact te brengen.

 

Hakone

Van alle restaurants in de straat
is er slechts één geopend
en daar zitten wij
aan de tafel het dichtst bij de uitgang.

Het is drie uur in de namiddag,
we hebben geen van beiden honger,
er zijn geen andere klanten
en wij trachten ons
zoveel mogelijk als mannen te gedragen.

Echte mannen
die tafelen alsof ze zich opdragen.
Een gezelschap
dat zich met een voorbereiding van jaren
aan gesprekken waagt.

Mannen
die geen heimwee krijgen van opzij te kijken
en voor wie het niet erg is
om minutenlang te wachten
op de rekening.

In het juryrapport van de Rob de Vos-prijs spreekt Herbert Mouwen van poëtische eenvoud. Het eeuwige thema van de poëzie, zegt hij, wordt ook hier aan de orde gesteld: het verlopen van de tijd en de vergankelijkheid en het niet kunnen stoppen van dat proces. Herkende je je daarin?
Mouwen heeft volkomen gelijk. Veel van mijn gedichten gaan over tijdelijkheid. Ik was gecharmeerd dat hij er een eeuwig thema in zag. Niets is voor altijd en vandaag nog minder dan ooit. We kunnen voortdurend veranderen van job, relatie, woonplaats, identiteit, mode, geslacht …

Mijn ouders hadden een video- en dvdkast waarin ze hun favoriete films bewaarden. Ik kijk Tiktok-filmpjes van nog geen minuut, die ik daarna nooit meer hoef terug te zien. Waar het leven van mijn ouders in fotoboeken vereeuwigd ligt, speelt het mijne zich af als een theaterstuk. Je geniet van het moment, maar als een akte voorbij is, kan ze zich nooit meer in eenzelfde vorm herhalen.

 

Ludo

Hij ziet er onherstelbaar deftig uit,
draagt zijn kleren liefst bevattelijk,
haren in een samenvatting.

Ludo is zuinig met parfum
maar vrijgevig in ruimschoots op tijd komen.

Hij zegt vaak:
“Je moet het doen
met de woorden die je hebt.”
en heeft het dan meestal over zijn vrouw.

Is vergankelijkheid niet een ‘ouderwets’ begrip? Wat heb jij met deze tijd?
Ik maak deel uit van een generatie die volop moet wennen aan loslaten. Enerzijds kan het niet snel genoeg gaan en proberen we het uiterste uit elk moment te halen, tegelijkertijd zijn we ontzettend nostalgisch. Tijdelijkheid fascineert me ook op een poëtische manier: verdriet en troost gaan erbij hand in hand. Je moet vaak afscheid nemen, maar je krijgt ook de kans om vaak iets nieuws te ontdekken.

Op de Belgische televisie speelde het datingprogramma voor 65-plussers ‘Hotel Römantik’. Je zag daar weduwnaars en verbitterde gescheiden mensen opnieuw verliefd worden alsof ze naïeve pubers waren, met alle tegenstrijdige gevoelens die daarmee gepaard gaan. Aandoenlijk en hoopgevend tegelijkertijd. Voor een dichter is de huidige tijd met haar schijnbare contrasten een zegen.

Waarom schrijf je? Behalve om iets aan de kaak te stellen zoals het boek waarvan je co-auteur bent, Armoede in België?
Ik geloof niet in l’art pour l’art omdat je onmogelijk neutraal in het leven kan staan. Ik heb gewerkt met armoede-organisaties en bij de vakbond. Kinderen in armoede kennen gemiddeld 3000 woorden minder dan hun leeftijdsgenoten nog voor ze in de kleuterklas beginnen. Ik hoorde dagelijks verhalen van chauffeurs die niet betaald werden voor de tijd die ze in de file stonden of van verzorgers die bejaarden om 17u. in hun bed moesten leggen zonder toiletbezoek, omdat er niet voldoende personeel was. Meerdere vrienden kunnen de huidige werkdruk niet aan en gaan al op jonge leeftijd in burn-out, terwijl de winsten en technologie er zijn om met zijn allen minder te gaan werken voor hetzelfde geld. De ongelijkheden in onze samenleving nemen elk jaar toe.

En toch ben ik ervan overtuigd dat kunst en poëzie niet het medium zijn om dit soort zaken aan te klagen. In tegendeel zelfs, ik zou me bijzonder oncomfortabel voelen om op een podium over onrecht te slammen en nadien gezellig met een pintje verder te filosoferen. Bij de vakbond werkte ik daadwerkelijk mee om mensen weerbaarder te maken en kleine positieve zaken op hun werk te veranderen zoals voorkomen dat een zieke collega wordt ontslagen. Dat doe je niet met een gedicht.

Dient het dichten dan een ander doel?
Poëzie en kunst dienen het doel dat je er zelf aan toekent. Ik vind het een meerwaarde dat veel dichters omwille van een andere reden schrijven. Ik schrijf in de hoop dat poëzie kan troosten. En dan heb ik het niet over therapeutische gedichtjes, die een middel kunnen vormen om mensen te laten omgaan met een diep verdriet. Ik heb het over troostende poëzie als onverhoopte uitkomst.

Als een politicus zoals Trump oproept om bleekmiddel te drinken tegen corona, is dat maatschappelijk onverantwoord, maar tegelijkertijd bijzonder humoristisch. In je eigen omgeving hoop je elke dag dat er niemand sterft, maar in een goed boek gaat er minstens één iemand dood. In een samenleving hoop je op de gelijkheid tussen man en vrouw, maar in een gedicht wordt het pas interessant wanneer er wordt gekwetst. Daarin schuilt voor mij de troostende kracht van literatuur. Wanneer er dingen mislopen in de wereld, is dit hard voor ons leven, maar het levert toch op zijn minst een meeslepend verhaal op.

Tegelijkertijd bevredigt poëzie me ook daadwerkelijk. Als ik een perfecte zin lees of verrast word door een gedicht, gaat er een fysiek genot door me heen, zoals ik ook ervaar bij een ontroerend muziekstuk, een foto die me raakt of een opstoot van liefde. In dat opzicht schuilt er ook op een hedonistische manier iets troostend in poëzie. Ik kan er net zo van genieten als van lekker eten, reizen, kroelen en dansen.

Ook ziet Mouwen in het gedicht een werk over liefde en zorgzaamheid.
In mijn omgeving zoeken veel vrienden een evenwicht in hun liefdesrelatie tussen passie en geborgenheid. Enerzijds heb je avontuur en conflict nodig, om het spannend te houden. Anderzijds wil je rust en zekerheid. Het is een paradox en toch zitten we regelmatig in relaties waarin we die onmogelijke combinatie met succes laten slagen.

In poëzie hou ik van eenzelfde soort tegenstelling. Zo kom je dan uit bij een gedicht waarin je iemand wilt beschermen tegen de tijd. In het echte leven kan je daarin alleen maar falen, maar in poëzie blijkt het toch maar weer mogelijk.

 

Laten we het daarbij laten

We maken een afspraak:
als jij zwijgt
dan vertel ik het niet verder

waarna je geleidelijk
je blousje over je hoofd trekt
alsof je het traag uitspreekt

en ik fluister,
niet om de stilte te doorbreken
maar om ze te benadrukken.

 

Geplaatst in Interviews.