Siel Verhanneman – Wat nu met het licht dat binnenvalt

Wennen aan binnenvallend licht

door Johan Reijmerink




We leven in een tijd waarin mensen hun persoonlijk leven steeds meer aan de openbaarheid prijsgeven. Of dat nu om hun succes, vreugde, verdriet, rouw of seksualiteit gaat, mensen zoeken medeleven, erkenning en publiciteit voor hun ingrijpende ervaring. Zo geeft Siel Verhanneman in haar bundel Wat nu met het licht dat binnenvalt (2022) stem aan haar rouwarbeid over het overlijden van haar vader en zuster, en het hervinden van zichzelf.

Philippe Ariès bepleit in zijn boek Het uur van onze dood (2013) ‘la mort familiaire’. De dood mag een zichtbaar gegeven en een sociaal gebeuren zijn. Tegen deze achtergrond dienen we de poëzie van Verhanneman te lezen. In die zin is zij een dichter van deze tijd. Ze wenst haar innerlijk beleven te verbinden aan de sociaal-maatschappelijke omgeving waarin ze leeft. Haar poëzie reikt zodoende verder dan het uitdrukking geven aan een allerindividueelste emotie. Ze is haar dichterschap op Instagram begonnen en wenst op een verstaanbare wijze voor een groot en jong publiek complexe poëzie te schrijven. Haar thema rouw, verdriet en de verwerking daarvan is verre van lichtvoetig. Bij verdriet gaat het om een verlies; bij rouw om de verwerking van het verlies. Bij deze rouwarbeid beleven de overlevenden opnieuw alle herinneringen aan overledenen, zonder dat ze die kunnen delen met de persoon die er niet meer is.

Verhanneman opent in de eerste afdeling ‘Kier’ met het gedicht ‘Open deur’, waarin het dichterlijk ik door een kier in het mortuarium kijkt naar haar overleden vader. Ontzetting maakt zich van haar meester. Daarop volgt een periode dat de ik zichzelf moet ‘opvissen’: ‘Het leed komt jaren later, te laat / werp ik mijn nood om troost uit als doorzichtig visdraad.’ De ik neemt zich voor ‘er niet over te schrijven’. Ondertussen let ze op hoe andere dochters hun vaders ‘in leven houden’. Ze zorgt ervoor ‘dat alles zweeft / dat niks nog weegt / enkel ik op hem, / is dat niet wat dochters doen?’ Ondertussen valt haar oog op vaders en dochters die ze onderweg tegenkomt. Iets in haar weigert gevolg te geven aan de vijf fases die Elisabeth Kübler-Ross ooit in haar boek Dood (1975) initieerde.

In het gedicht ‘Rouwen is een spel’ benoemt ze die vijf fasen van de rouwarbeid:

Rouwen is een spel

Ontkenning, boosheid, onderhandelen, depressie, aanvaarding.
Het zijn brutale fases.
Op zelfhulpfora krijgen ze elk een balkje
met hun naam daarop.
Ze wachten met open armen om je te zien falen
in je kwaadheid, je tristesse.

Als Super Mario op de Gameboy
wip ik over fase 5
en ik start opnieuw
wip ik over fase 5
en ik start opnieuw.
Voor de game over ruil ik
het balkje met AANVAARDING
definitief voor LOYALITEIT.

Ik trek rode cirkels rond sterfdagen,
ik lach niet om grappen over vaders,
ik wens zussen geen gelukkige verjaardag,
ik wacht.


Dit gedicht geeft de thematische kern van deze bundel weer. Verhanneman laat zien door welke fasen en cirkels het dichterlijk ik met haar verdriet na het overlijden van haar vader en zus is gegaan. Ze laat goed uitkomen dat ze om het verdriet en de boosheid daarover meester te worden het spel telkens opnieuw begint om uiteindelijk na de aanvaarding van het verlies een laatste sprong te maken naar het loyaal zijn met het verdriet, het overlijden van de ander, en zodoende loyaal te worden met haar eigen lot. Dit rouwgedicht laat goed zien, dat Verhanneman een dichter van deze tijd is. Ze introduceert in de tweede strofe de wereld van de games. Na haar Instagramgedichten groeide bij haar toch de behoefte een fysieke bundel uit te brengen. Voor haar biedt een boek geborgenheid, omdat je het kunt vasthouden, erin kunt wegkruipen en het kunt herlezen. Het sensuele van de leeservaring gaat met Instagram verloren.

Wat ik in bovenstaand gedicht ervaar, is een doorgecomponeerde tekst die gelaagdheid bezit, beeldrijk en tastbaar is, en tot nadenken stemt. Dit alles is in een taal geschreven die voor een jonger én ouder publiek herkenbaar blijft. In het laatste gedicht ‘Hoe mooi alles ooit’ voelt de ik dat ze zo nu en dan blij is: ‘lach ik oprecht / vertel ik hoe mooi alles ooit / denk ik aan wat niet meer kan.’ En toch blijft de beklemming haar neerdrukken. Wat niet meer vanzelfsprekend is: ‘voelen / omhelzen zonder te verstikken / lachen op een terras.’

In de tweede afdeling ‘Dit is ons huis’ zet de ik na de ontkenning en boosheid haar verwerkingsproces voort. In dit eigen huis leunen de ik en de jij op elkaar. Het is een huis waarin ‘alleen zijn is, en niet alleen zijn.’ Het blijft in de nacht een zoeken en tasten naar ‘iemand die er ooit wel was.’ De ik ervaart in ‘Een onopgemaakt bed’ dat ‘eenzaamheid […] het leven scherper [maakt].’ Dat leest Verhanneman af aan een schilderij van Eugène Delacroix (1827). Zo spiegelen voorbeelden uit de beeldende kunst de stadia van haar rouwarbeid.

De ik heeft het gevoel dat ze een oorlog met zichzelf moet voeren, maar dat hij te winnen is. Hoeveel moeite het haar kost, blijkt wel uit haar treinreis in ‘Een oorlog winnen’: ‘om te overleven moest ik wel die trein op / met mensen zonder zorgen’. Ze probeert vanuit plichtsgetrouwheid te leven. De ik gooit ‘gedachtes over onzichtbare schouders / maar ik ben nog steeds doorweekt met beelden die zo traag drogen’. Verhanneman weet in glasheldere taal haar beklemmende gevoelens en ervaringen over te brengen, waarbij er voor de lezer nog wat te raden overblijft. Het herhaaldelijke gevoel van beklemming, angst en ontzetting weet ze met aansprekende metaforen op te lossen: ‘ook dit droogt // weer op // ook dit // droogt weer // op.’ Ze zoekt haar heil in zelfhulpboeken’: ‘Ik lees de zelfhulpboeken waarin staat / dat het magisch denken is, de toekomst bezweren / en dat het zo helemaal niet werkt / enkel wel, bij mij.’ Ze tracht zo de wereld onder controle te krijgen. Ze roept de ander toe: ‘Dwing mij alleen te zijn met de leegte / die jij voor me uitrolt / de leegte en ik / tot we vrienden zijn.’

Halverwege de tweede afdeling duikt voor het eerst ‘de jongen [op] die elke nacht naast me slaapt’, die een ‘zwarte toermalijn in de zak van zijn jasje [laat] glijden’. Een minerale edelsteen die bescherming biedt tegen negatieve energie en die innerlijke groei stimuleert. Deze gepersonifieerde edelsteen lijkt vaak jaloers te zijn ‘op de snikkende familie’. Een herinnering aan haar zus en het gele-autospel doet haar beseffen dat ‘Er […] niet veel nodig [is] om onbelangrijke spullen, belangrijk te maken’. In het verwerkingsproces blijven herinneringen opspelen: ‘Dode mensen zorgen voor een schuldgevoel dat je alleen kunt snappen / als je er middenin zit’. Omstanders vinden veelal ‘woede ongepast, geven voorkeur aan vele tranen / en dramatisch snikken.’

In het gedicht ‘Het begin’ flonkert er wat licht aan de horizon als de ik zich verliest ‘in zijn studie van de zee’ door Claude Monet. Langzaam maar zeker verschijnen er cirkels rond de vrouw, waarbij de belangrijkste is ‘de jongen die elke nacht naast me slaapt.’ In het gedicht ‘Kiezen verliezen’ graait ze, verwijzend naar het obsederende Zwarte vierkant van Kazimir Malevich ‘in het zwart op zoek naar handen van een zus.’ In de gebarsten vlakken zoekt ze ‘naar wat onomkeerbaar’ is. Starend naar een blauwe hemel in ‘Ze blijft wel wachten’ begint de ik te beseffen dat ‘die blauwe vlakte ons ooit / de rusteloosheid zal ontnemen.’

In derde afdeling ‘Nieuw leven’ breekt de zon langzaam door. In ‘Bacon’ spiegelt de ik zich aan haar eigen stilleven, maar vooral ‘Van welk beeld hoop jij het nooit nog te moeten zijn?’ Ze heeft nog altijd het gevoel ‘met gestolde gebeurtenissen in mijn handen’ te staan en het gevoel dat het woord ‘miserie’ in grote letters nog op haar voorhoofd te lezen is, én dat ze de regels van deze wereld is vergeten. Ze heeft nog steeds een verlangen ‘naar het smerige’ waarin ze zich wentelde: ‘Ik ben de eend die haar modder mist.’ In de cyclus ‘Houten lijven’ verkent ze haar lichaam en dat van de ander: ‘Want wij werden in elkaar gezet, / niets voelt voor ons nog echt.’ Elke streling kan ‘een instorting veroorzaken.’ Verhanneman weet heel scherp en overtuigend de wankelmoedigheid en kwetsbaarheid te verwoorden, zoals de vrouw op de rand van het bad op een schilderij van Edgar Degas. Het geschonden lijf en de gekwetste geest laten zich moeizaam door de jongen veroveren. ‘Mag je schaken als je de spelregels niet kent?’ vraagt de ik zich af.

Ten slotte identificeert de ik zich met de bevrijdende vrouwenbeelden van Auguste Rodin: ‘Zijn vrouwen zijn van iedereen / op de grens van obsceniteit en zachtheid / danst hij op een koord van de lust / en precisie van zijn muzes, / zet hen blind getekend // op zijn papier // worden vrouwen bevrijd’. Ze eindigt haar rouwarbeid door te zeggen tegen haar partner: ‘Ach, wat je mij nu al geeft. / Dat je leeft / en bij me blijft / het tegendeel bewijst / van wat ik dacht / dat toekomst was.’ Verhanneman weet haar poëzie op een hoger plan te tillen met aansprekende schilderijen en marmers. Deze verstaanbare en gelaagde poëzie bezit een metaforische kracht en biedt bovenal een invoelbaar en lichtgevend inzicht in gedane rouwarbeid.

____

Siel Verhanneman (2022). Wat nu met het licht dat binnenvalt. De Arbeiderspers, 69 blz. € 20,-. ISBN 9789029544108

Geplaatst in Recensies.