Esohe Weyden – Tussentaal

Minder geschikt voor de thuisblijvers

door Peter Vermaat



tussentaal

ik draag mijn hart hoog
en laat het smelten op mijn lippen
smaak bijtende klanken
wanneer ik kauw op mijn compagnon
de tussentaal

in mij wordt steen na woord en woord na steen
gesjouwd en geploeterd
gevloekt en geroepen
gebouwd aan de lopende band
die levenslang de mensheid ingaat

hoewel mijn laatste ademhaling niet ver meer reikt
slechts tientallen decennia van mijn duimen gespreid
weet ik dat zij in elk van ons genesteld
met dunne draden onze dromen aan elkaar rijgt

zij maakt van niets iets
want zij geeft door zinnen aan zinloosheid betekenis
blaast beweging waar het statisch is
en warmte rond de ijzigheid

ik den de dichter die dichter naar haar toe kruipt
bij elke rijmverdoezeling
in de schaduw van mijn schedel
schuilen mijn herinneringen nabij
turen met gespleten ogen
naar het gekomen, komt en komende
want alles is een muze van de schrijfsels
en wordt ononderbroken zacht
met mijn compagnon, de tussentaal, aan mijn zijde

elke ode die nu vanonder mijn nagelplaten valt te schrapen
scherp geschreven
is in wezen de verwoorde gedaante van haar

[p. 9-10]

Wanneer ik niet, anders dan gewoonlijk, via YouTube een aantal voordrachten van de Vlaamse dichter Esohe Weyden (1999) had bekeken en beluisterd, zou ik in bovenstaand gedicht behalve de zachte ‘g’ vooral de afgekorte uitspraak van de ‘ij/ei’-klank, die bijna tot ‘èèè’ wordt, hebben gemist. Voor wie zoals ik vooral op zoek is naar het muzikale in de taal, is dat een essentieel gegeven. Het zijn deze verschillen in uitspraak die het benedenrivierse deel van het Nederlands taalgebied (ik laat het Afrikaanse en vooral ook het Caraïbische deel voor het gemak buiten beschouwing) onderscheidt van het bovenrivierse, zoals een ieder die zowel Esohe Weyden als Johnny van Doorn heeft horen voordragen zal moeten bevestigen. Tegelijkertijd komt bij het waarderen van juist het klinkende element van taal je persoonlijke smaak meer op de voorgrond, waarbij mijn voorkeur uitgaat naar de hardere uitspraak van medeklinkers, die, net als oude kaas, je tandvlees doen krullen.

Ondanks haar jeugdige leeftijd timmert Weyden al behoorlijk aan de weg. Van de gedichten uit deze bundel blijken er maar liefst 13 tussen 2019 en 2021 in opdracht geschreven. Ondanks het feit dat de dichter zich nadrukkelijk verbindt met de stroming van ‘spoken word’, heeft ze het steeds over het ‘schrijven’ van haar gedichten. Naarmate een kunstvorm zich ontwikkelt en ook commerciële partijen er brood in gaan zien, zie je dat de uitingen ervan meer bereikbaar, beschikbaar, zo je wilt meer ‘salonfähig’ worden en zo beweegt ook ‘spoken word’ zich van de oorspronkelijke, vooral improviserende vorm, waarin, net als in de oervorm ervan, fluxus uit de late jaren ’60, de wisselwerking van taal en leven die met nadruk plaatsvindt in het hier en nu (en daarmee uitsluitend in gefilmde optredens te bewaren is) en mogelijk zelfs bij voorkeur zonder interactie met publiek, naar een vorm die zowel leesbaar als voordraagbaar moet zijn.

De Roemeens-Hongaarse componist Béla Bartók (1881-1945) besteedde een groot deel van zijn leven aan het verzamelen van volksmuziek van ‘de Pannonische vlakte’, een gebied dat wordt omsloten door de Dinarische Alpen, de Alpen en vooral de Karpaten en waarvan vrijwel geheel Hongarije deel uitmaakt. Hij ging daarbij op zoek naar oude mensen, die hij vroeg oude liedjes te zingen, die hij vervolgens opnam met een fonograaf (de voorloper van de grammofoon). Zijn bedoeling daarbij was hoogstens het niet verloren laten gaan van een muzikale rijkdom die hij om zich heen zag verdwijnen en behalve door zijn fonografische collectie heeft hij daaraan ook bijgedragen door er in zijn eigen composities volop gebruik van te maken. Iets dergelijks kan ook gebeurd zijn toen iemand, mogelijk de Ionische dichter Homeros, besloot de gedichten Ilias en Odysseia op te schrijven. Van deze poëzie is op basis van de structuur aangetoond dat ze voortkomen uit de mondelinge overlevering en het aanwijsbaar zijn van verschillende Oudgriekse dialecten in de tekst wijst erop dat de onderdelen afkomstig zijn uit verschillende bronnen.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van de uitspraak ‘Met de tijd werden woorden aangepast en werden regels geschrapt en vervangen. De gesproken poëzie is altijd in beweging tot ze vereeuwigd wordt op papier.’ in de reeds vermelde verantwoording van Esohe Weyden’s debuutbundel Tussentaal. Volgens mij wordt het effect van ‘vereeuwiging’ echter niet veroorzaakt door het vastleggen op papier, maar veel meer door het koppelen van een tekst aan een auteur. Doordat er een auctor intellectualis komt vast te staan, en niet in het minst door het van kracht zijnde auteursrecht, wordt een tekst op het ogenblik dat die identificatie tot stand komt in zijn staat van dat moment bevroren.

Er is veel dat klinkt in de gedichten van deze bundel, hoewel er hier en daar een gedicht faalt door een overmaat aan parlando en daarmee gebrek aan diepgang. Je kunt je dat op een podium, waar het publiek je voordracht niet even kan terugspoelen en opnieuw beluisteren, wel veroorloven, maar de lezers en vooral de herlezers van een bundel leggen zo’n zwakke plek genadeloos bloot. Ook in de verantwoording wordt veel nadruk gelegd op de dichter als podiumpersoonlijkheid, hetgeen een bundeling van die podiumgedichten minder geschikt maakt voor de thuisblijvers.
Maar er staat ook veel poëzie tegenover, zoals:

ik ben de verdwaalde passagier op tram tien
die gedoopt wil worden in het water
waarin wensen worden opgelost
(…)
ik ben de beslagen ademhaling in elke frame
van een meisje dat een kamp bouwt
zich kroont tot heerser zonder veldslag
(…)
ik ben de overhaaste voetstappen in een schoenmaat
die achterloopt op de groeispurt die ik nog nemen zal
(…)

[p. 18]

Waar de mondelinge traditie en ook de epische poëzie met name verhalend is en daarmee waarschijnlijk eerder gericht op het schilderen van beelden, gaat het in de poëzie, zeker in de moderne van pakweg na 1900, juist om het opwekken van het onzegbare en onuitsprekelijke. Mogelijk zijn beide benaderingen uiteindelijk gericht op het onttrekken van het tijdeloze uit het tijdgebondene en liggen de verschillen met name in het onderscheid tussen enerzijds het ervaren en de groei van het persoonlijke “ik” en anderzijds het ontdekken van wat ondanks de eigen sterfelijkheid op de eeuwigheid veroverd kan worden. Niet voor niets schrijft Friedrich Nietzsche in Zarathustra’s Rundgesang: ‘(…) Doch alle Lust will Ewigkeit—, /
—will tiefe, tiefe Ewigkeit!’

De dichter lijkt zich bewust van deze tegenstelling en neemt in het slotgedicht van de bundel ook een positie in:

wat komt

ik kijk naar wat komt
schimmig als een schets van houtskoollijnen op grof papier
waarvan ik weet dat hij nooit de koude aanraking
van haarlak zal voelen
dat hij nooit definitief en altijd uitwisbaar zal zijn
want hoe kan ik vormgeven wat ik vandaag niet kan zien
wat ik denk dat misschien zou kunnen gebeuren
en stiekem hoop te zullen zijn

toch blijf ik proberen
tot ik sporen achterlaat in de kamer
waarin ik elke seconde de toekomst opzuig
hoe ik achterna hol wat komt
mij door de terugkerende teleurstelling heen bijt
haast verslaafd aan de sensatie
die bijna bereiken met zich meebrengt

maar waarom nog vraag je mij
misschien is het net daarom dat ik schrijf
om de angst voor het onoverkomelijke
om te zetten in maakbaarheid

[p. 81]

____

Esohe Weyden (2022). Tussentaal. Uitgeverij Vrijdag, 88 blz. € 20,00. ISBN 978 9464340815

Geplaatst in Recensies.