Elly de Waard – Meestal tussen bomen

De onmetelijke ruimte van de nacht

door Herbert Mouwen




Sinds haar debuut als dichter in 1978 met de bundel Afstand is Meestal tussen bomen alweer de twintigste dichtbundel van Elly de Waard. Veel poëzieliefhebbers kennen wellicht haar naam niet of komen niet verder dan: Elly de Waard, die schreef toch gedichten? Sommigen zullen zich haar herinneren als popcriticus van Het Vrije Volk, De Volkskrant en Vrij Nederland, waarin zij nieuw verschenen popalbums besprak. Het gedicht ‘Ode aan de popmuziek van de jaren 70’ grijpt terug op die tijd: ‘ik ben weer terug / in het brandpunt van mijn leven’. De bundel van De Waard is zeker de moeite van het lezen waard, al zal de kritiek van lezers kunnen zijn dat de thematiek van haar gedichten niet vernieuwend is en dat deze geen aansluiting vindt bij de poëzie van deze tijd. Dat de dichter een persoonlijke visie heeft op de tijd van nu, blijkt uit het gedicht ‘Het internet is de wereld niet’:

In het geheugenloze tijdperk
dat wij nu beleven, waarin sporen
van verleden of geschiedenis

op de luidst klinkende voorkeur
kunnen worden weggeschreven
raken wij steeds verder opgesloten
in de schijngestalte van een wereldstad

met straten vol verleidelijkheden
die uiteindelijk blijken dood te lopen
ook al zijn ze nog zo onafzienbaar lang


Kunnen sporen van het verleden worden weggeschreven op de luidst klinkende voorkeur? Staan wij bloot aan een overdaad aan wereldse verleidingen? Is dat een doodlopende weg? Nou, dat is nogal wat. Nee, de dichter voelt zich niet passen in de moderne wereld. Waarin dan wel?

De bundel bestaat uit twee delen en wordt voorafgegaan door het inleidende gedicht ‘De negende maand’, dat over de maand september gaat en eindigt met: ‘het is mijn geboortemaand, een / cyclus komt ten einde en er wacht // een zoveelste begin, een nieuwe jaarring’. Het leven is geen rechte ononderbroken lijn, maar een reeks van op elkaar gestapelde cycli. En dat betekent: telkens opnieuw beginnen, en ondertussen is dat al ‘het zoveelste begin’, want Elly de Waard heeft reeds een hoge leeftijd bereikt. Het eerste deel ‘Alvast’ van de bundel bestaat uit zestien gedichten, het tweede deel ‘Meestal de bomen’ telt tien gedichten. Bijzonder zijn de slotgedichten van het eerste deel en de openingsgedichten van het tweede deel, zij vormen de kern van de bundel. In het eerste deel gaat het om de gedichten ‘Onomwonden’ en ‘Un bel dì, vedremo’, in het tweede deel om de verzen ‘Nacht in de cinema’, ‘Het koffertje’ en ‘Het verschil tussen dag en nacht’. De eerste strofe van ‘Het koffertje’ is opgebouwd uit drie vragen. De vijf genoemde gedichten, die de overgang vormen tussen deze afdelingen, geven antwoord op deze vragen. Deze eerste strofe luidt als volgt:

Is dit dan al de voorbereiding op mijn dood?
Dat ik in slaap, in dromen elke nacht
de flarden van mijn levensloop
voorbij zie komen? Zijn dit de repetities
voor mijn sterven onverhoopt?


De dichter ziet haar leven in flarden in haar dromen voorbijkomen en vraagt zich af of dit oefeningen zijn die voorafgaan aan het moment van sterven. In de vijf gedichten is het moment van wakker worden cruciaal, het confronteert de ik-figuur met het dagelijkse leven. ‘Onomwonden’ begint ermee: ‘Verstrengeld in een lint van dromen / werd ik wakker,’ en die reeks dromen vlucht weg en laat de ik-figuur achter ‘in een dag / die als een leeg strand om mij lag’. Die dag wordt langzaam weer gevuld met ‘van alles dat niet minder / willekeurig of onwerkelijk was –’.

Ook in het volgende gedicht ‘Un bel dì, vedremo’ heeft Elly de Waard het over een ‘afbrokkelend droombeeld’ en een ‘ochtendlijk hologram op de huid van dit ogenblik’. In het gedicht ‘Nacht in de cinema’ spreekt de dichter van ‘het bioscoop-theater / van mijn hoofd. waar non-stop films / worden vertoond met mij,’ en bij het wakker worden moet eerst dat hoofd leeggemaakt worden, daarna kan de werkelijkheid van alledag weer betreden worden: ‘de / massa [van mijn lichaam] stroomt de zaal uit en ik kan / weer in het leven van de dag ontstaan.’ Deze gedichten maken duidelijk dat ook het leven voor de ik-figuur cyclisch op mini-niveau is. De levensloop van een mens loopt als een spiraal naar het einde toe: geboorte, bloei, verval, dood, nieuwe geboorte etc. De donkere nacht, de periode van de slaap, bezorgt de ik-figuur dromen. Pas bij het wakker worden – in ‘Het koffertje’ staat: ‘De ochtend brak / mijn slaap’ – ontstaat er ruimte om de dag te vullen.

Het kerngedicht van deze reeks van vijf is het laatste gedicht ‘Het verschil tussen dag en nacht’. De vier gedichten hieraan voorafgaand hebben de lezer voorbereid op de specifieke betekenis van ‘de onmetelijke ruimte van de nacht’. Die nacht is vol met dromen, het moment van ontwaken en de lege dag die gevuld kan worden, zonder dat deze dromen overdag echt afwezig zijn.

Het verschil tussen dag en nacht

In de onmetelijke ruimte van de nacht
verdringen zich de schimmen van wie je
ooit lief hebt gehad. Moeiteloos nemen zij
elkaars gestalten aan in de verhalen
en gebeurtenissen die ze rond je opvoeren.
de situaties die ze met je aangaan.

In de beklemming daarvan wakker wordend
komt het je onbegrijpelijk voor, dat ze
zo diep gevoeld steeds nog in je bestaan en
dat ze je verstillend leven van de dag
zo haast verpletterend afwisselen met hun
niet te voorziene escapades in de nacht


Steeds beter begin ik het gedicht ‘Het internet is de wereld niet’, dat ik als eerste geciteerd heb te begrijpen vanuit het perspectief van de dichter. De dichter heeft moeite met ‘het geheugenloze tijdperk’ waarin de mens leeft, de ‘schijngestalte van een wereldstad’ die je opgesloten houdt en de betekenisloze ‘straten vol verleidelijkheden’ die ‘uiteindelijk’ doodlopen. Wat blijft er eigenlijk over voor de ‘wij’ in dit gedicht? Gedetailleerde natuurobservaties spelen een rol in de poëzie van De Waard, maar ze zijn soms te naïef. Ze beogen een beeld te geven van de emoties van de dichter en haar innerlijke wereld, zoals te lezen valt in ‘Het bos en ik’: ‘Zo is mijn partnerschap met / de natuur, de wildernis, die ook / die van mijn binnenste is.’ Ook bevat de bundel herinneringsgedichten aan dieren, zoals aan haar honden en een tam geworden vossenmoeder die ze verzorgd heeft. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat de natuurgedichten niet de sterkste zijn van de bundel.

De gedichten van Elly de Waard hebben een parlando taalgebruik en een eenvoudige beeldtaal. Stijlmiddelen als enjambementen, assonanties en alliteraties worden vaak gebruikt en bevorderen op een positieve maar vooral verborgen wijze de tonaliteit en de ritmiek van haar gedichten. De vorm van de gedichten is traditioneel, bijna klassiek, maar ook te weinig verrassend te noemen. Wat vorm en stijl betreft is er in het oeuvre van Elly de Waard weinig ontwikkeling zichtbaar. Zoals ik al zei, niet alle gedichten hebben inhoudelijk een acceptabel niveau, maar de vijf besproken gedichten kunnen de zoektocht naar de diepgang en de essentie van deze dichtbundel voor de lezer gemakkelijker maken.

____

Elly de Waard (2022). Meestal tussen bomen. De Harmonie, 48 blz. € 16,90. ISBN 9789463361514

Geplaatst in Recensies.