K. Schippers – Je moest me eens zien

Nonchalance en ontroering in een waaier vol afscheid

door Adriaan Krabbendam




K. Schippers (1936-2021) heeft een aanzienlijk oeuvre op zijn naam staan, gedichten, verhalen, romans en beschouwingen, en ontving daarvoor onder meer in 1996 de P.C. Hooft-prijs. Je moest me eens zien is zijn nagelaten bundel, door hem zelf samengesteld.
Hij overleed in 2021 aan kanker.

De titel van de bundel is ontleend aan de slotregels van het gedicht ‘Het vloeiblad’, waaruit meteen de meerduidige betekenis naar voren springt: ‘Niet // verstopt maar on / zichtbaar, je moest / me eens zien.’ (NB: aan afbreekstreepjes doet de dichter niet.)

De bundel heeft geen duidelijke structuur – de gedichten worden op kenmerkende nonchalante wijze ongerubriceerd naast en na elkaar geplaatst, al verschijnen er op tweederde enkele gelegenheidsgedichten en ten slotte een keuze uit de gedichten die hij schreef als stadsdichter van Amsterdam, en zou dat, ook door het geheel andere karakter van de verzen, als tweede deel kunnen worden gezien.
Het leeuwendeel van de gedichten bestaat uit wat ik noem ‘opsommingsgedichten’, waarin een reeks mededelingen, observaties, zegswijzen en aforismen rond een in de titel omschreven thema klaarblijkelijk willekeurig onder elkaar geplaatst worden, met soms een afsluitende opmerking of ‘conclusie’. Verder staan er een aantal beeldgedichten (die dat niet echt zijn, meer een soort zoekplaatjes), een column, een op zichzelf staande mededeling en een paar ronduit flauwe grapjes op het menu. Het is nooit helemaal duidelijk waar de nonchalance en gemakzucht beginnen dan wel ophouden, evenmin in hoeverre ze een gecultiveerde grondhouding vormen. Wel misstaan melige zaken als ‘Koeriersdiensten’, ‘Frans’ en ‘Eigennaam verborgen in andermans tekst’ in een bundel als deze ten ene male.

Schippers grossiert in het blinde aforisme: ‘Als je / iets doet, weet je niet wat je van / plan bent.’ , ‘Als je wilt dat de bal / eerder op een plek is dan jij, schop / hem er dan naartoe.’ , ‘Het stof in mijn jaszak weigert niets te zijn.’ Of, de leukste: ‘Een uil ziet er ook soms uit of ’t / ’m tegenzit, omdat hij een uil is.’ En wat te denken van ‘Ze [een kat] kan bij / elk plekje / van haar / vacht’ en elders, ‘Een kat kan bij elk plekje van zijn huid.’ Of het nu om een poes of een kater gaat, elke kattenliefhebber die heeft geprobeerd vlooiendruppels te gebruiken, weet dat dit niet klopt.

‘Wat je moet kunnen om te leven’ is een mooi voorbeeld van een opsommingsgedicht dat uiteindelijk echt ergens over gaat. De laatste vier van het vijfentwintig strofen tellende gedicht luiden:

Dat ook nog. Zie je een blouse
met de afdruk er nog in. Kom
je haar altijd tegen in groepen,
bij de bakker, in de tram,

met vriendinnen uit een film.
Briefjes in de bus doen als bij
komend lawaai: er loopt vanmiddag
een bijzonder mooi iemand in je

buurt. Ik zeg het maar even in
het handschrift van een ander.
Grond onderzoeken, de taal zelf
waarin ze zich beweegt. Deze

zinnen. Doe dat maar. Dit is haar
grond. Exitpoll, taartpapier,
fit model. Liefdes waaier. Totale
nieuwsgierigheid naar alles.

Waarom de dichter het niet daarbij heeft gelaten is een raadsel. Deze regels behoren tot de beste, ontroerendste van de bundel. Ze stijgen eruit op en nestelen zich in je, en telkens weer duiken er andere details uit op – ‘Dit is haar/ grond. Exitpoll, taartpapier (…)’. Je leest ‘Liefdes waaier’ en er klinkt “liefdes zwaaier” voordat het losbarst in ‘Totale / nieuwsgierigheid naar alles.’ De zwaarte van het naderende onevenredige afscheid – de stervende vs. de achterblijvende geliefde – duikt telkens weer op: ‘Ik ontduik m’n ogen / blikken, kom niet / meer in je voor’. En, zoals al zijn werk is opgedragen aan zijn echtgenote Erica, draagt Schippers een van zijn bondigste afscheidsverzen aan haar op:

Aan E.

Nu het later wordt
zie ik steeds
scherper hoe

mooi je bent
alsof je nu pas
wordt uitgepakt

en ik je voor
het eerst
onverborgen zie

wie ziet je
als ik er
niet meer ben

Het roerende ‘Waar je ’s nachts van wakker wordt’ is in dezen een sleutelgedicht, maar te lang om hier effectief te citeren.
De opbouw van het daarop volgende ‘Toevalsaanrakingen’ doet sterk denken aan de techniek van Marc Boog (zie onder meer De encyclopedie van de grote woorden), zij het met typische Schippers-inhoud: ‘Nergens heen, waar vandaan // en toch in het midden van wat gebeurt. Is dit soms / de vallei der voorvallen, zo’n loens begin net voor / het struikelt naar iets anders. Houd [sic] het zich / in om er niet voluit te zijn, het doet wel mee.’ In ‘Othilia’s Phoenix’ klinkt weer zo’n blind aforismen: ‘Het nadeel / van een stok is dat-ie weg // kan rollen als je er niet bij bent.’, doodnuchter gevolgd door ‘Steeds / sneller onderweg naar wat steeds korter bij / je blijft.’ De erop volgende regels zijn zo niet nog schrijnender, tot als antwoord op het eerdere ‘Totale / nieuwsgierigheid naar alles’ het vers besluit met ‘Alles is er bijna.’ En daarmee is het eerste deel van de bundel ten einde, en belanden we in andere sferen.

Het anekdotische ‘Buiten niet’ vangt aan met het citeren van de roman Waar was je nou? uit 2005, waarmee de dichter de Libris Prijs won. Dan volgt het sterke ‘Misleidende stapelingen’, dat opent met rasechte Beckett-humor: ‘Is dat een specht? Nee, het zijn paardenhoeven.’

Hierna volgt de keuze uit de stadsgedichten, met enkele absolute hoogtepunten, zoals het rake ‘Schaduw, biechtstoel, voile’ over Francesca Woodman, het lief-leuke ‘Keldergaten, lantaarnpalen’, over de als jonge voetbalfanaat georven kicksen van Jan van Diepenbeek, een werkelijk prachtig portret van Armando bij wijze van in memoriam, en het mooie, Dick Hillenius waardige ‘Het Dick Hilleniuspad’:

Zwem je weg, kom je tevoorschijn in

De wilde stad, waar meerkoeten en ijsvogels
iets opschikken om je door te laten, zo
lang hebben ze in de film op je gewacht.

____

K. Schippers (2022). Je moest me eens zien. Querido, 88 blz. € 18,99. ISBN 9789021462486

Geplaatst in Recensies.