Bashõ’s Sarumino – Een regenjas voor het aapje

Fijnzinnige vertaling

door Hendrik-Jan de Wit




Eindelijk is er dan een integrale vertaling van Bashõ’s Sarumino, ook wel bekend als Een regenjasje voor het aapje. Het is de samenvatting van de openingshaiku: ‘saru’ staat voor aap en ‘mino’ is een kleine regenmantel gemaakt van stro. Het eerste gedicht van de bundel met haiku’s is namelijk van Matsuo Bashõ (1644-1694) en haalt het regenjasje van het aapje midden in de winter aan:

Eerste winterbui:
ook de aap wil kennelijk
een regencape’je.

Wat zo mooi is in deze vertaling van Wim Boot en Henk Akkermans: de Japanse tekst (zowel fonetisch als in Japanse tekens) én de woordelijke vertaling staan op de linkerpagina.

Hatsu-shigure
saru mo ko-mino wo
hoshi-ge nari

Eerste / regenbui
aap / ook / klein-cape / lijd. vw.
willen / eruit zien, lijken / zijn

Daarmee geven de vertalers een prachtige inkijk in de Japanse poëzie, maar ook in de werkplaats van de vertaler. Ze leggen alle stukken hout die ze gebruiken op de werkbank om tot de uiteindelijke tekst te komen. Overigens verschilt de eerdere tekst in het citaat van de inleiding (p. 10) met de tekst bij het eerste gedicht in de integrale weergave (p. 20). De laatste heb ik hierboven weergegeven.

De bundel Sarumino is een ode aan het werk van Bashõ, samengesteld door zijn leerlingen Mukai Kyorai (1651-1704) en Nazawa Bonchõ (1640-1714). De laatste twee doen het meeste werk. De bundel bestaat uit vier boeken met verzamelingen haiku’s. Ze volgen de seizoenen, wel in een eigenaardige volgorde: winter, zomer, herfst, lente. De vertalers hebben er ook geen verklaring voor.

Het levert een scala aan gedichten op van veel soorten dichters. Sommige schrijvers zijn er met één gedicht in gekomen, anderen met meer. In totaal staan in de eerste vier boeken 382 losse haiku. Naast de 41 van Bashõ, heeft Bonchõ er 42, Kyorai 25 en Kikaku 25. Daarbij komen ook dichters langs met veel minder haiku’s, soms slechts één.

Thematische aanpak
De samenstellers kiezen ervoor om thematisch te werk te gaan. Voor haikuliefhebbers een feest der herkenning. De slak komt voorbij (nrs. 134, 135, 337, 353), de (kersen)bloesems vanzelfsprekend (nrs. 17, 359-362, 369-373), maar ook bamboespruiten (nrs. 121-123). Soms is de verzameling wat abstracter, zoals de warmte die het land in het voorjaar al vroeg kan treffen (nrs. 314-320).

Om een beeld te geven hoe dat eruit ziet, citeer ik hier een aantal gedichten waarmee het vierde boek, ‘Lente’, opent. Het geeft sfeer mee, maar tegelijkertijd ook verwantschap in thematiek, de pruimenbloesem. Onder haiku vermeld ik de naam en het nummer in de bundel tussen haakjes.

Nu de pruim weer bloeit,
krijg je als mens meteen ook
berouw van je woede.

Rosen (p. 265)

Pruimenbloesemgeur –
als een jachthond volgde ik
haar het bergpad op.

Kyorai (p. 266)

Pruimenbloesemgeur –
ik liep een dorp in, en zag
de hoorns van een koe.

Kukû uit Kaga (p. 267)

De pruimenboom geurt –
grind geharkt alsof het stroomt
achterin het dal

Dohõ (p. 268)

De eerste vlinder:
zelfs met hun botloze lijf
al bij de bloesems

Hanzan (p. 269)

Pruimenbloesemgeur
en van mijn wijnhandelaar
een nieuwe kerfstok.

Zenso uit Zeze (p. 270)

De pruimenbomen
langs heel dit pad en stelen
van geurig hoefblad

Kikaku (p. 271)

In deze reeks komt geen gedicht van Bashõ voor. De thematiek komt zo mooi met elkaar overeen. Soms zelfs in letterlijke bewoordingen zoals bij ‘Ume ga ka ya’, pruimenbloesemgeur. De ene keer indringender dan de andere. Elke haikudichter geeft hierbij een eigen draai aan het woord en aan de uiteindelijke betekenis van de haiku. Het laat zien de eindeloze manier van variëren op die paar vierkante millimeter van de haiku. Soms is de variatie miniem. Dat valt ook op te maken aan het gebruik van ‘Ume ga ka ya’, dat ook als ‘Mume ga ka ya’ voorbijkomt. Bij de laatste ligt net iets meer nadruk op het woord pruimenbloesemgeur; een iets sterkere variant.

Fijnzinnigheid
Het is bijna onmogelijk om die finesses goed te vertalen. Wim Boot en Henk Akkermans laten met hun woordelijke vertaling en uitvoerige toelichting per haiku deze fijnzinnigheid duidelijk zien. Dat je je als vertaler daarmee ook kwetsbaar opstelt, nemen zij voor lief. Het pleit voor ze. En het is van mijn kant heel flauw om op hun uiteindelijke vertalingen commentaar te hebben.

De 5-7-5-regel hoeft wat mij betreft niet zo letterlijk te worden ingezet als nu gebeurd is. Ook het gebruik van enjambement komt niet altijd gelukkig uit. Het maakt de haiku snel tot een zin, terwijl de kracht in het Nederlands juist in de afbreking ligt. Dat is wat anders dan het Japans, waar de lettertekens een heel eigen rol vervullen. De dichterlijke hand mis ik soms in de vertalingen en die gun ik soms net iets meer vrijheid.

Een verzakte muur –
Expres zo voor de reetjes
als oversteekpad.

Sora (p. 118)

Voor mij zou het net iets mooier zijn:

verzakte muur –
expres zo voor de reetjes
een oversteekpad

Het zijn details, maar ze maken een haiku sprekender. De woordelijke vertaling van Wim Boot en Henk Akkermans geeft je de kans om als lezer mee te vertalen. Dat gebeurt je niet vaak bij vertalingen van haiku’s. Het demonstreert ook meteen waarom vertalingen van hetzelfde gedicht soms zo ver uit elkaar liggen.

Renga’s
Het vijfde boek vind ik persoonlijk het mooiste. Hier zijn vier renga’s opgenomen en daarmee geeft de Sarumino een inkijkje in deze bijzonder rijke en vooral sociale traditie in de Japanse cultuur.

Het schrijven van renga’s of kettinggedichten is vooral een activiteit die je met elkaar doet. Het vouwen van het rijstpapier en de strenge conventies die eraan verbonden liggen, maken het tot een heuse uitdaging.

Een wedstrijd waarvan het erg leuk is om het resultaat te zien. Je ziet hier dichters die een spel met elkaar spelen. Het spel met de taal, maar ook het expres elkaar in lastige posities brengen en de ander daarmee uitdagen een oplossing voor het bijna onmogelijk te verzinnen. Het levert heel veel lezenswaardige poëzie op.

Seizoenen
De renga’s volgen de seizoenen in dezelfde volgorde zoals in de eerdere vier boeken. Gemeenschappelijk kenmerk van de renga’s is dat Bashõ aan allemaal meedoet. In de laatste schrijft hij het openingsvers. In deze renga’s gelden vaak citaten van bekende Japanse én vooral Chinese dichters en regelmatig moet het seizoenswoord terugkeren. Zelfs het andere seizoen moet erin verwoord worden, zodoende kom je bijvoorbeeld de herfstmaan tegen in de zomer. Zoals in de haiku van Bashõ die op zichzelf heel beroemd is. Ik bed hem hier in de omliggende rengaverzen:

De venkelzaden,
voortgeblazen door de wind –
de avondstorm giert.

Kyorai (p. 433)

Zal de monnik in zo’n kou
nog naar zijn tempel teruggaan?

Bonchõ (p. 434)

Speelman en aapje
gaan samen door de wereld
onder de herfstmaan.

Bashõ (p. 435)

Nauwelijks één schep per jaar
bedraagt zijn rijstbelasting.

Kyorai (p. 436)

De wisseling in onderwerpen maakt de renga zo eigen. Het spel met de woorden, schuiven met het onderwerp. Soms eindigend met een vraag waarin de volgende dichter mogelijk een antwoord op moet geven. Het maakt de renga verrassend en grillig tegelijk. Dat vraagt om een andere leeshouding. Het kan overkomen als van-de-hak-op-de-tak, maar het is boven alles een snelle flexibele wisseling van associaties en onderwerpen. Het lijkt soms onlogisch over te komen, maar de oplossing kan heel vindingrijk zijn en geeft het vers een ongelooflijk mooie en oorspronkelijke wending.

Haibun
Het zesde boek van de Sarumino is een stuk in proza, afgesloten met een haiku. Het is de beschrijving van de illusoire woning, eindigend met een haiku. Je zou het als een haibun kunnen beschouwen, zoals je bijvoorbeeld het reisverslag van Bashõ De smalle weg naar het verre noorden ook kan lezen als een boek met verzamelde haibun. Voor een haibun is de opgenomen tekst in de Sarumino in mijn ogen te lang. De haiku vervult hier de rol van conclusie.

Bashõ verwijst naar twee twee oude, Chinese dichters van de Tang-dynastie, die ernstig leden onder het beoefenen van de poëzie.

Bai Juyi vernietigde het goddelijke in zijn vijf organen, en de oude Du was vermagerd. Ook al ben ik dom en zij wijs, zij briljant en ik eenvoudig, is deze wereld niet voor allen een illusoir verblijf? Aldus concludeerde ik, en legde mij terneer.

Dat vertrouwde ik –
een zomerse bosschage
met oude beuken.

(p. 334)

De afsluitende dagboekbladen in het naschrift maken het boek compleet. De veelzeggende titel: ‘Uit het dagboek, rechts op het bureau’, geeft de bloemlezing van haiku een extra zware lading. Deze geheimzinnige dagboekbladen spreken sterk tot de verbeelding. Waarom lagen uitgerekend deze 35 haiku’s op het bureau van Bashõ? Zijn ze heel bijzonder voor deze meester van de haiku? En waarom uitgerekend deze haiku’s? Vragen die raadselachtig onbeantwoord blijven.

Henk Akkermans en Wim Boot vullen met hun vertaling de grote leemte die er was voor elke haikuliefhebber in Nederland. Eindelijk is de Sarumino integraal vertaald in het Nederlands. En wat voor een vertaling: een voorbeeldig, wetenschappelijk geschoeide en uitbundige vertaling. Het boek bevat geen woord teveel en laat zien dat de Japanse poëzie een enorme meerwaarde geeft. Niet alleen voor de liefhebber van gedichten, maar ook voor mensen die gek zijn op het taalspel en de afwisseling van gedachten die de haiku’s rijk zijn. Het lezen van dit boek laat zien waarom de Sarumino een meesterwerk is en geeft ook een inkijk in de bijzondere periode waarin Bashõ leefde.
____

Een integrale vertaling van Bashõ’s Sarumino door Wim Boot en Henk Akkermans (2022). Een regenjasje voor het aapje. Leiden University Press, 366 blz. € 59,50. ISBN 9789087283780

Geplaatst in Recensies.