Ivo van Strijtem – De vrolijke tijd

Tijd om te schroeien

door Peter Vermaat




Wie een poëziebundel opent met een citaat van Louis Paul Boon, realiseert zich mogelijk niet daarmee een risico te nemen. Ik ben in de afgelopen decennia namelijk voornamelijk Boon-liefhebbers tegengekomen, terwijl de Boon-haters, zoals ik er één ben, blijkbaar nogal dun gezaaid zijn. Waar Boon zich tot doel heeft gesteld het door papen en andere kleine dwangleggers verdrukte boerenland van Vlaanderen van die dwingelanden te bevrijden (ik chargeer), verdampt die thematiek in de tijd, bij het verdwijnen van papen en het blij geachte Roomse leven tot een gevecht tegen windmolens, terwijl een schrijver als Willem Frederik Hermans, die ontologisch tekeergaat tegen de wreedheid van het leven zelf, nog steeds door geen enkele tijdelijkheid kan worden ontkracht. Maar dat is mijn mening. Ik zal mijzelf daarmee ongetwijfeld neerzetten als bovenrivierse literaire armoedzaaier en dat zij dan maar zo. Ik zal Boon ook zeker tekortdoen door uit zijn Verzamelde Gedichten uitgerekend ‘ (…) dat wou ik je zeggen bij je graf / hoe mooi ze deze zomer waren / hoe liefdevol ik keek met jouw ogen / naar hun rokjes zo kort / naar hun spannende spijkerbroeken( …)’ te citeren, maar ook hier kenmerkt een dergelijke passage voor mij het besmuikt vanonder de oogharen gluren naar vrouwelijk schoon een zekere jeugdige onschuld, waarin onnozelheid al snel de overhand krijgt. Geef mij één gedicht over geloer en kamertjeszonde dat als ferme taal zijn plek inneemt en vasthoudt en ik zal het prijzen.

De vrolijke tijd, de zevende bundel van Ivo van Strijtem (pseudoniem van Ivo Evenepoel (Strijtem, 1953), brengt gevarieerde kost op tafel: zowel de liefde, het (latere) leven, de dood, het kwaad in de wereld als de poëzie worden bezongen in overwegend rijmloze, maar bij tijd en wijle ritmische verzen, waarbij het niet zozeer de taal zelf is, als wel de ongezegde woorden die beelden oproepen die de dichter voor de lezer voor het oprapen legt:

In de branding

Ik was nog een kind toen een meisje van twee
door de politie werd doodgeschoten
in een bestelwagen op de schoot
van haar moeder zat ze

en ik dacht wat erg en huilde maar
mijn vader zei dat het eigenlijk de schuld
van haar ouders was omdat die hier
niets te zoeken hadden

en dat ze het park waar die vreemde schooiers
rondhangen ook maar eens moesten opkuisen
opkuisen ja dat zei mijn vader en en en
en de volgende dag duwde hij

een zwarte jongen van vijftien op de treinrails
en de volgende dag werd hij boos op mijn juf
die ons een foto had getoond van een
jongen van twee in blauw en rood

hij lag op zijn buikje op een Turks strand
en ik dacht als de papa van Aylan
een andere aardige jongen hebben wil
dan mag hij mij hebben

en ik dacht als de papa van Mawda
een ander aardig meisje
hebben wil
dan mag hij mij hebben

[p. 53]

Dit gedicht uit de afdeling ‘Gedichten over kinderen’ kun je zowel (op het eerste niveau) lezen als een aanklacht tegen de politieke rechterflank, die tekeergaat tegen de slachtoffers onder vluchtelingen (het jongetje Aylan Kurdi dat in 2015 verdronk in de Egeïsche Zee en wiens foto iconisch werd, het mogelijk minder bekende meisje Mawda Shawri, dat tijdens een achtervolging in een bestelbusje door een Belgische politiekogel werd gedood) in plaats van vluchtelingen welkom te heten, terwijl het eveneens (op het tweede niveau) als aanklacht kan worden gelezen tegen aanhangers van de linkervleugel, die hun bezwaren tegen hun politieke tegenstanders in een kindermond leggen, waarmee normaliter niet te redetwisten valt. De titel ‘In de branding’ is passend, omdat je je kunt voorstellen dat het gevoel van een kind dat zijn vader dergelijke liefdeloze dingen hoort zeggen en ziet doen, door de slagkracht van die gebeurtenissen alle kanten op gesleurd wordt, zoals het geval is op de plaats in de zee waar de bodem hoger wordt dan de golfbasis.

Ook veel andere gedichten in een bundel zijn sterk verwant met het hedendaags beleven en geven hier en daar in een hoek een doorkijkje naar wat er – ongezegd steeds – achter kan liggen. Mogelijk draagt Van Strijtem de beelden en geluiden uit de tijd waarin hij opgroeide – de late jaren zestig en vroege jaren zeventig – nog altijd met zich mee en kleeft de anekdotische, licht filosofische toonzetting van Nooteboom of Kopland hem nog steeds aan. Het blijft tokkelen en neuriën in kleine bezetting; de hemelscheurende virtuositeit en orkestpartijen zijn niet aan hem besteed.

Mogelijk is dat opzet. Na zes bundels weet je als dichter waarschijnlijk wel hoe snel je in een put van pathos dondert wanneer het een keer over werkelijk gevoeld verdriet moet gaan en dan zijn verzwijgen en uitstel de enige remedies. De mooiste regels in deze bundels vind ik dan ook in een gedicht over een in 2000 overleden broer van de dichter:

(…)
mijn broer die dood is
heeft geen stem. En vrijwel nooit
heeft hij zijn dorp verlaten; hij danste
liefst een wereld rond zichzelf.
(…)

[p. 46]

Misschien onbewust lees ik in de twee laatste regels een verwijzing naar Arthur van Schendel’s roman De wereld een dansfeest uit 1938, waarin de liefde tussen twee dansers vanuit maar liefst negentien verschillende perspectieven verteld wordt. Hoe eenzaam is daarentegen iemand die ‘een wereld rond zichzelf’ danst?
Ritmisch is deze passage erg mooi vanwege de antimetrie, die de twee deinend ritmische delen begrenst tussen ‘verlaten’ en ‘hij’, gemarkeerd door een puntkomma, als een danser die een draai maakt, even tot stilstand komt en vervolgens in een volgende zwaai weer wegbeweegt.

Heel af en toe wint de taal het onverhoeds van de vrijwel doorlopende terloopsheid in de bundel en nemen de woorden de tong van Van Strijtem in de houdgreep. Dit soort gedichten zou ik (veel) vaker willen lezen:

Kerstgebed

Ontferm je over het verkochte meisje
het gebanvloekte het meisje op de brandstapel
richt je aandacht op de rookpluimen
van dromen van het keer op keer

onteerde meisje op het verdorde slaaplied
de vermolmde wieg op het plompverloren
zwangere en weggeworpen meisje
het stalloze en sterloze

het koningloze en ontherderde
troost beween en voed haar
en vergeef de wrede vergeefsheid
van alle gebeden

[p. 57]

Hier legt de dichter in een bijna in één keer uitgezuchte of wellicht uitgeschreeuwde litanie alle in de kerstal uitgestalde figuren over de knie en vloekt ze zonder een onvertogen woord – maar vlóékt ze, vanwege de ‘wrede vergeefsheid / van alle gebeden’, vloekt het daadloze gebed wanneer er moet worden opgetreden, ontfermd, gevoed, beschermd.
Ook hier is Ivo van Strijtem een dichter die met zijn voeten stevig wortelt in de klei en kluiten van het leven en leed van alledag en wiens taal af en toe als magma uit zijn keel uitbarst. Die tijd is allesbehalve vrolijk, maar zengt van vuur en zwavel.

Maar die laat ik mij graag schroeien.

____

Ivo van Strijtem (2022). De vrolijke tijd. Atlas contact, 80 blz. € 19,99. ISBN 9789025473181

Geplaatst in Recensies.