Interview Pieter Sierdsma

‘Atmosfeer is het substraat van mijn poëzie.’

door Alja Spaan

Pieter Sierdsma, geboren te Oudeschoot in 1948, studeerde geschiedenis en was archivaris. Gedichten verschenen in Nederlandse en Belgische tijdschriften zoals Gedicht, De Brakke Hond, Hard Gras en Ballustrada. Hij publiceert regelmatig op de internetsite Netgedichten. In twee bundels van de VSB-poëziewedstrijd werd een gedicht van hem opgenomen. Ook schrijft hij artikelen over literaire onderwerpen in het Zeeuwse blad Ballustrada.
Dichtbundels zijn Tussen lucht en geluid, In de bocht van de rivier en Reis naar de eilanden (2019). Zijn laatste gedichten zijn geïnspireerd door tekeningen van Léon Spilliaert over een verstorven Oostende. Een eerste versie hiervan, Suite voor Oostende, is te koop in het museum voor beeldende kunst aldaar, Mu-zee.

foto Arther van de Roose

 

Bij een publicatie van je gedichten in Meander, juni dit jaar, zei de redactie dat je ‘wat dromerige toon geruststelt’. Was dat je bedoeling?
Als poëzie ‘een daad van bevestiging’ was zoals Remco Campert schreef dan zou ik best gerust willen stellen tegenover de verwarring, die toch gemakkelijk ons deel kan zijn in deze tijd. Ik vind het goed dat een dromerige essentie de leidraad is, omdat alles wat zich herhaalt, zoals dag en nacht, zon en regen, in wezen mooi is en een positieve essentie van het bestaan.  Ik herken het releveren van schoonheid niet als een elitaire esthetiek maar als een verkenning van de ruimte van het bestaan. Een dichter die mij hierin geïnspireerd heeft is Leo Herberghs. Zijn bundel Lessen is landschap (1968), wat een rake titel, was daarvan een voorbeeld.

Wat doet je poëzie met jouzelf? En waaruit ontstaat zij?
Mijn poëzie ontstaat uit waarneming en beleving, natuurlijk ingegeven door mijn aard. De herhaling van de dagen en wat daarin gebeurt stelt mij gerust. Gaandeweg kristalliseert zich in mijn gedichten een wereld uit, die dichtbij is maar ook veraf. Ik denk dat twee aspecten van die verstilde vervreemding in mijn poëzie een uitdrukking krijgen, enerzijds dreiging, anderzijds impressie. Mijn op het eerste gezicht wat gesloten gedichten kunnen door de lezer wel gemakkelijk herkend worden. Het is zoals Levity Peters voor Meander schreef in zijn bespreking van mijn bundel In de bocht van de rivier, november 2012: ‘De gedichten lijken te spelen in een droomachtige wereld. Volledig de onze, vertrouwd, maar met een transparant karakter. Misschien is dat te enkelvoudig uitgedrukt; al lezend lijk je zelf doorzichtig te worden, als wandel je in een zwak isolerende cocon door een vreemd bekende maar vertraagde wereld’.

In een recensie op Meander van je bundel Reis naar de eilanden, zegt recensent Maurice Broere ‘het individuele zit voornamelijk in de particuliere observaties’. Hij gaat ervan uit dat we niet naar een diepere betekenis hoeven te zoeken maar gewoon moeten genieten. Heeft hij daarin gelijk?
Met die kenschets van Maurice Broere ben ik het volstrekt oneens. Het is niet zoals hij stelt dat ik alleen een zonnige onbekommerde wereld weergeef, een prettig beeld zonder diepere strekking. In veel gedichten geef ik het vervlieten van de tijd aan, zonder dat blijkbaar iets overblijft. Zoals in oude kerken hebben duistere ramen:

uit grijs gips gesneden vensters sluiten
aarzelend licht in steen. een straal is
de omhulling van een heldere naald
en schuift naar de gezochte plaats,
niets ontgaat.

de ramen zijn klein.
ze bewaken een ademloze kluis,
een koud afgestorven lichaam,
weifelend of wat behouden is
slaapt of door de langzaam
geopende deur opstaat.

tijd heeft een lichte neiging te
dwalen over de vloer, waarin
de stap is gesleten en wisselt
zonder geluid aanwezigheid, die
is vergeten om van de slippende
pas te stelen.

Uit: Reis naar de eilanden (2019)

In de introductie van die bundel staat op de site van Boekscout een intrigerende tekst, ‘het kort delen in de beleefde tijd kan echter veel langer lijken. Een tijdelijk transport naar een wereld waar leven en dood nauw samengaan.’ Met andere woorden, de beelden die jij schetst lijken vertrouwd maar zijn toch anders. Is dood het onderwerp?
De dood  is niet het onderwerp wel de symbiose van dood en leven, van nieuw leven en versterven. In een gedicht als oorlogsbunker uit deze bundel staat dat beschreven, versterven is dan vergeten.

– de bunker ligt in het zand,
diep schuilend voor elke betekenis,
door de vaste aanplant verdedigd.
daar zijn smalle voetsporen
en het lege pakje sigaretten,
ter wille van het tijdloos vermaak
losjes door de wind gesleten.

De subtitel luidt ‘gedichten tussen droom en werkelijkheid’. Maar dood is geen droom maar een realiteit. Speelt het ouder worden een rol?
De suggestie dat we het leven soms als een droom kunnen ervaren is door de zeventiende eeuwse dichter Jan Luyken vertolkt in zijn gedicht Air, ‘Droom is het leven, anders niet, die langs steile boorden schiet, zonder ooit te keren’. Bernlef citeert als motto voor zijn roman Hersenschimmen twee regels over het leven van de Britse dichter Philip Larkin: ‘a touching dream to which we are all lulled but wake from seperately’. Dat is inderdaad een sombere gedachte. Ik sta daar niet zo in, maar ik beschrijf wel het verglijdende, dat ook iets droomachtigs kan hebben, zoals ik hierboven geïllustreerd heb. De eigen ervaring in deze speelt natuurlijk een rol. Met het verder gaan in je leven kom je bedreigingen tegen, bijvoorbeeld ziekte, die overwonnen kunnen worden, maar waarvan een betekenis over de tijdelijkheid van het bestaan toch achterblijft.

Ook in de bespreking van de bundel In de bocht van de rivier, 2012, wordt de droomachtige sfeer genoemd. Het is bijna alsof de sfeertekening belangrijker wordt dan de inhoud van je gedichten. Weer dat geruststellende uit de eerste vraag. De recensent noemt het onthaaste poëzie, hetgeen weer goed past in de huidige tijd. Hoe noem jij het?
Heb je leren genieten?
Het woord ‘onthaast’ is inderdaad een tijdgebonden en modieuze term. Ik heb er geen bezwaar tegen, omdat het leven sneller is dan vroeger. Maar ik zou mijn poëzie geen nadere kwalificatie willen geven, ook geen ‘tijdloze poëzie’, omdat gedichten alleen kunnen functioneren als ze goed geschreven zijn. Dat betekent voor mij een spannend weefsel van ritme en klank, wat altijd het kenmerk is van echte poëzie, of het nu gaat om het werk van Gerrit Achterberg of van Gerrit Komrij.
Atmosfeer is het substraat van mijn poëzie. Het moet dat wat ik oproep herkenbaar maken. Ik denk hierbij aan de romans van George Simenon, waar mensen en de omgeving waar ze wonen met eenvoudige maar suggestieve woorden worden aangeduid.
Genieten is voor mij wijd open staan, ontvankelijk voor alles wat er is, en dat is niet afgenomen met mijn leeftijd.

Wat was je kennismaking met de poëzie? Kun je je nog het eerste gedicht herinneren dat je las?
Met de wereld van gedichten maakte ik echt kennis toen ik in een schoolagenda het toverachtige en verfrissende Februarizon van Paul Rodenko las. Een vertrouwde wereld oproepen in nieuwe woorden, waarvan de sensatie toch zeer herkenbaar is, lijflijk herkenbaar zou ik zeggen:

Februarizon

Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano’s.
De populieren werpen met een schoolse nijging
elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.
De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.
Ik draag het donzen masker van
de eerste lentewind.

( Paul Rodenko)

Je publiceert regelmatig op de site gedichten.nl. Hoe denk je over onze literaire wereld? Hoe beweeg je je daarin?
Ondanks dat er minder gelezen wordt en recensies van poëzie schaars zijn vergeleken met veertig jaar geleden, bloeit poëzie, met een opvallende rol voor vrouwen. De geschreven poëzie is vaak van goede kwaliteit, ondanks de naar mijn mening schadelijke invloed van poetry slams, waar het vaak meer om effectbejag en een soort cabaret gaat. Terwijl cabaretiers als Kees Torn en Jeroen van Merwijk wel echte dichters zijn.
Ik sta nogal los van literaire kringen, niet dat dit opzet is. Ik heb in mijn vriendenkring ook geen mensen met aandacht voor literatuur. Godzijdank dat er poëziewebsites, sociale media zijn, want anders bestond ik als dichter niet en dat zou ik toch wel heel erg vinden.

Wat betekent erkenning voor je?
Erkenning is heel prettig. Ik geniet daarvan.
Het is een oase die gelukkig geen luchtspiegeling is!

Zijn er hedendaagse dichters die je volgt?
Ik ben geen snelle lezer. Ik kan een jaar bezig zijn met zo’n intrigerend en knap gedicht als De ondergang van de Titanic van Hans Magnus Enzenberger, vertaald door Peter Nijmeijer. Of elke keer weer de creatie van de zee als een levend landschap beleven, zoals in het gedicht Morgen van Leo Herberghs. Het is muziek, alsof de naald in de groef zinkt en het gedicht weer verrassend opklinkt. Een zeer genietbare hedendaagse dichter is Ingmar Heytze. Lees maar:

Denim Blues

Spijkerbroeken vol met meisjes
zweven wiegend door de wereld.
Als de meisjes zijn gaan slapen
– meisjes slapen zacht en rond-
droomt de stof een blauwdruk
van hun billen op de grond.

Was mijn huid van sterk katoen
met platte spijkers in de heupen
en vijf knopen aan het kruis,
dan mochten ze me altijd aan:
niemand zou zo lekker zitten,
niemand zou ze beter staan.

(Ingmar Heytze)
Uit: aan de bruid, Amsterdam, Podium, 2000

Wat is je mening over de (rol van de) sociale media?
Sociale media, als Netgedichten, Meander of Knetterende Letteren, zijn in een tijd waarin voor literatuur nauwelijks aandacht meer bestaat, de paradijseilanden waar nog mooie vruchten aan de bomen hangen ter lafenis van de dorstige reiziger. Je mag alleen maar hopen dat de makers hun liefde en overtuiging blijven volgen en zich vrij houden van de entropie van de middelmaat, de naar binnen gerichte kracht van herhaling en afnemende beweging, die op de televisie zo aanwezig is.

Kun je de groei schetsen vanaf een publicatie uit 1977 in Yang (en op de site van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren) naar nu?
Het is aardig dat jullie die oude gedichten gevonden hebben, want het is duidelijk dat ik nog veel moest leren. Ik heb geleerd minder woorden te gebruiken en vooral meer trefzekere. Ik heb ervaren dat een gedicht een geheel moet zijn, kort of langer, dat elk woord ertoe doet, dat een ritmische afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde woorden nodig is en dat alleen eenvoudige woorden gebruikt moeten worden, water, piano en geen expositie of verklaring, de materiële woorden, de woorden van de dingen, zoals schrijver George Simenon, die noemde.

Is dichten iets dat je kunt leren? Wat vind je van alle schrijfopleidingen, workshops, cursussen?
Ik geloof niet dat je schrijven uit het niets kunt leren. Er moet altijd talent aanwezig zijn. Het bestaan van het grote aantal schrijfopleidingen en workshops verbaast mij. Het volgen van voorbeelden is niet iets wat je moet doen. Leer zelf door je werk eerst te laten liggen en het na een tijd weer over te lezen. Als je dan ziet wat beter kan ben je op de goede weg. En blijven lezen. Dat is mijn methode geweest.

Wat voor rol kan een Meander spelen?
Ik denk dat Meander zijn rol, het levend houden van de poëzie, optimaal vervult, als padzoeker van de poëzie, als bibliotheek van kostbare gedichten en als kritische begeleider van de poëziewereld door middel van interviews en recensies. Het is een belangrijk rustpunt in een snelle wereld van media. Een gedicht uit de automaat!

Kun je nog verrast worden? Verbaasd zijn?
Ik merk niet dat ik ouder word in mijn beleving. Het licht in een waaierende fontein, een meisje in haar zomerjurk, het blijven wonderen.

Om de ontwikkeling van de dichter te illustreren, zijn er zes gedichten gekozen. De gedichten hebben drie thema’s:
Dreiging: gekleed in steen, ik woon niet in de stad
Droomleven: de rode draaimolen, wanneer de draaiorgels slapen
Tijdloos: onderweg,  zomers zeilen

 

gekleed in steen

gekleed in een jas van steen
kruipen de huizen strak geleed
nauw sluitend tot aan de keel.
op de hoekige golf van wijken
waait de wind dicht aan het lijf.

vaak lijkt het alleen maar stil.
het verkeer sluit onverschillig
in de panden van een nieuwe wijk
waar het licht een rimpeling begint
op een plas en een trillende jonge
boom staat in een kom van beton.

soms staat nieuw leven op langs
de kraag en jaagt bladeren in een
slordige dans voor een groot feest.
maar de stad is er niet op gekleed
lopend sleept de pas van straat naar
straat gewoon aan de harde zoom.

met elke stap komt de stad niet bloot.
midden op de dag en tegen de nacht
wanneer bewoners onverwacht snel
in de plooien van de muren zijn verdwenen
is iedere dag ongeweten van steen
en sta je bijna naakt en ongekleed
huiverig ‘s morgens in een jas
die je ook kan hebben verbeeld.
ik woon niet in de stad

ik woon niet in de stad
met licht van door beton omvatte ramen
en een vertwijfelde relatie tot verkeerslichten
die met tussenpozen op rood springen.
en nooit woon ik in een stad
met vloeren van regen
lege spiegels door een auto stuk gereden
of onder de hoge barse fonteinen van fel
spuitende lichtreclames.

maar soms woon ik in een stad
met geruchtloze dromen
het lamplicht in de erkers zo stil gezet
en gelaten drijvend in de donkere straten
waar de nacht zwart aan een kerktoren kleeft
en ik steeds maar denk dat een wijzer onbewogen
over de ronde klok sleept en vermomd als eeuwigheid
in de donkere stolp een verlicht uur aanduidt.
de rode draaimolen

de paarden hoeven niets te dragen
ze draven wit beschilderde lijven
rood gelakt tuig een leven in en
uit en keren terug volgens de zelfde
orde van klatergoud nooit oud
het paardenoog straalt onbevangen
in de optocht van glanzende stangen
ze steigeren wild op licht daverende
muziek eerbiedig strak aan de toom
laten tamboerijnen slaan terwijl ze
dansend verder gaan

de paarden hoeven niets te dragen
wanneer trommels het laatste ritme
hebben weg geslagen zonder smart
wenden ze het hoofd naar nieuwe
dagen muziek breekt onvermoed los
een orgeltje strooit onhoorbare
tonen om hun galop
de zon gaat op
een donkere wolk
ragfijne regenvlagen
verder gaan ze naar een nacht
met sterren die flonkeren
van diep welbehagen.
wanneer de draaiorgels slapen

vanavond liep ik over de singels.
de grachten bogen naar binnen
vermoeid met veel herinnering
onder bruggen die bleven staan.

de dag was met hun lot begaan
liet ze traag in een oud bestaan.
in de ramen kierden gordijnen
open als maar half gelede ogen.

het gerucht van mijn stap klonk
verstoord tegen de gevels op.
in de stad was het leven tot morgen
roerloos en zwijgend opgeslagen.

de magazijnen de winkeletages
hadden het geluid afgedragen ook
de bedrijfspanden en oude loodsen
waarin draaiorgels stonden te slapen.

misschien weefde in hun kast een muziek
met kort tromgeroffel en rinkelende bellen
teer in zich zelf voldaan en voor hen uniek
tevreden schommelend op de eigen schellen.

ze hoefden deze nacht niemand te wekken
uit de terecht verzonken slaap.
maar morgen zouden ze de stad versieren
met akkoorden levendig luchtig raak.
onderweg

de chauffeur rijdt in de nacht op de koers
van donker land en verlichte autobanen.
de wegen veranderen volgens plan.
het licht van de koplamp zakt
over een bord met plaatsnamen.
huizen staan om diep ademen
een zwaar ruisen op lichte grond.
dromen haperen dan weer overgaand
in het vaste ritme van onaantastbaar slapen
onder stille daken.

langzaam wordt het licht op de weg
wanneer hij de koppeling verzet.
in de morgenschemer verliest
de vaste omgeving bekende grond.
tussen waken en dromen ligt de horizon.
de motor gonst een mededeling om.
zomers zeilen

een zeil vaart eenzaam op zee.
de hemel glijdt roerloos heen
niet bewegen wit gesteven.
schip en zeil scheren ongehavend
langs een flauwe horizon
onder lome druk van warmte
met moeite getekend.
overdadig stil is tijd.
lucht dekt de einder
die in blauw verzinkt
en traag opklimt.

het in de zomer luw wegdrijven van
de driehoek van een zeil is onmogelijk
want niets heeft vat op de lijnen van
hemel en zee die op elkaar lijken.
het water voegt zich onder de boeg
naar de kiel zonder adem badend
in een vadem loos zonder ziel.
hoe ver kun je varen
op een dag zo ongeladen ?

 

Geplaatst in Interviews.