Marijke Hanegraaf – Bestaansbegeerte

Bestaansbegeerte als ultieme vorm van identiteit

door Johan Reijmerink




De aanname dat we een onveranderlijk ik hebben, is hoogst twijfelachtig. Op zoek naar onszelf hebben we de ander nodig. Bovenal moeten we ons ervan bewust zijn dat identiteit enkel een constructie is. Eigenlijk weten we helemaal niet waar we zelf beginnen en waar we ophouden, wanneer we onszelf zijn of een ander. We zijn deel van onze omgeving, anders zou niet iedereen zo wezenloos op zoek zijn om zich te verbinden met andere mensen, en dat wat ons omringt.

Marijke Hanegraaf neemt ons in haar nieuwe bundel Bestaansbegeerte (2022) mee op haar zoektocht naar begeerlijke bestaansmomenten waarop een identificatie zich aan haar voordoet. De bundel bestaat uit vijf afdelingen die alle op onderscheiden wijze daaraan uitdrukking willen geven. Veelal in disticha en terzinen leidt zij ons langs de statiën van herkenning van zichzelf in het andere, de ander en omgekeerd. Ze beschouwt in de eerste afdeling ‘Iets dat ons kan zijn’ op invoelende wijze haar reis door Nieuw-Zeeland, op bezoek bij haar dochter en schoonzoon. Bij aankomst arriveert ‘de adem in het verreisde lijf’ als laatste op het vliegveld Christchurch. De ik verlangt naar ‘iets dat ons kan zijn’, ‘naar wat ontbreekt’. Dan begint een dagenlange tocht over het Zuidereiland. Met ‘aangescherpt verlangen’ op zoek naar de albatrossen of naar de zuidelijke wouden. Dan klinkt ineens te midden van die oneindigheid de intentie van deze reis op: ‘Toen moesten we verder om te worden / van de auto de inzittenden onderweg naar elkaar.’ Hoe die vervreemding te doorbreken? De ‘Mirror lakes’ is zo’n plaats waar de aandachtige ik de gevoelens ziet oplichten aan haar dochter en schoonzoon die ze met de armen om elkaar heen, ‘in rustig geluk’ observeert. In die rol van betrokken waarnemer dringt ze dieper door in wat er om haar heen gebeurt. Een langzame gewenning aan haar verre familieleden maakt zich van haar meester. Menigmaal weet Hanegraaf je, zoals in ‘Vreemd weer’, te imponeren met verrassende metaforen: ’Mount Cook, het turquoise bergmeer / onder het zonlicht een puzzel van schittering en kleur’. Gevoelens van vervreemding en vertrouwdheid, van spiegeling en separatie wisselen elkaar geregeld af, zoals in ‘Ribben van tin’:

Toen ik middenin de nacht eindelijk uit mijn slaap brak
zag ik achter het raam de kosmos openstaan.

Ik zat daar als een vreemde vorm op het vreemde bed
met ribben van tin, en de zoem van het heelal viel op me.

Onder de machinerie van de eeuwigheid dacht
de moederziel aan nooit meer en vertrekken

dacht de dochter in de kamer ernaast
de lichte gestalte van het lichte land.

Ergens ginds waakte het Zuiderkruis
maar ik kon de gids tussen al die sterren niet vinden.

Hoe ambivalent kan het alles zijn? In ‘Beurtzang’ herkent de ik aan de dochter, gebogen over haar laptop: ‘Ik ken je van buiten, je hangt in mijn kamers. Terwijl ik het dier aaide / wachtte ik tot je dag in de mijne viel’. Later leest de ik in ‘Delicaat’ aan de fragiliteit van een spinnenweb haar eigen kwetsbaarheid af. Het naderende vertrek knabbelt ‘aan de verwondering / wij te zijn geweest. Onze tijd was al niet meer onze tijd.’ Na de landing in de trein naar huis schalt ironisch ‘de liefde is een rebelse vogel’ uit Carmen van Bizet in haar oren. Na afloop dwalen de gedachten af naar wat achter de rug ligt. De dochter ingelijst aan de muur wordt weer ‘het kind (…) dat opstaat in mijn avond’. ‘Iets dat ons kan zijn’ hangt nu weer ingelijst aan de muur.

Een aantal gedichten van de afdeling ‘De ruwe adem’ zijn gewijd aan mensen die verdreven zijn van huis en haard. Wat geeft aan zulke mensen identiteit? Er volgen scherpe observaties. Voor vluchtelingen valt in ‘Evacuatie’ in de nacht ‘het besluit de knop van de behaaglijkheid om te draaien’. Wie ze zijn, valt samen met wat ze bij zich hebben: ‘Verlaat de u die u was. U wordt Hé oprotten jij.’ Als er één omstandigheid is waaronder de identiteit wordt ondermijnd, dan is het wel het vluchteling zijn: ‘alleen al het weggaan’. Wat rest je nog in de opvangcentra: ‘In de jas voor jou van een onbekende / zat de hoop geweven.’ Maar een dakloze is eveneens een mens zonder identiteit die hardop in zichzelf praat, opgeslagen ‘in de ordner van de uitgerangeerden’. Geeft ‘Aankomen bij iets dat thuis heet’ dan toch opnieuw een identiteit aan beide partijen? In het gedicht ‘Of ik het zelf ben’ is de vraag of de ik het wel zelf is. Mijn hersens geven me snel het idee dat de kleur blauw identificeerbaar is als: ‘De zee!’ Dat vinden je neuronen, maar vind je dat ook zelf? Wie of wat bepaalt wat en hoe je waarneemt? In het gedicht ‘Wie we waren’ stapt de ik als onervaren vliegtuigpassagier het toestel binnen. Zo schuchter nog ‘gekleed (…) / in de meningen van anderen en jij mocht niet zien hoe ik / overliep van angst’. In ‘Kiemplaats’ vraagt de ik zich af in hoeverre ‘het zoete bloed van de geboorte’, de moeder uit wie je geboren bent, bepalend is voor je houding in ‘een wispelturige wereld’: ‘Je denkt dat je weet wie ze is, maar je weet niks / je komt uit haar en kent je oorsprong niet.’

In de twee omvangrijke gedichten van de afdeling ‘Bestaansbegeerte’ volgt de ik het scheppingsproces dat zich voltrekt ‘om te worden wat ademen wil’. Dat leidt tot de conclusie: ‘Wat wordt had anders kunnen zijn, maar is’. De mens worstelt daarom ‘met het wisselend nu’. Het doet ons duur en oneindigheid der dingen vergeten. Al onze waarde wordt door de mens in geld uitgedrukt. Daarom wordt het tijd om ‘te rade te gaan bij de oorsprong’. De onderliggende bestendige kracht der dingen lijkt door de mens gebroken te zijn. Daardoor dwarrelen er nu door de scheppingsruimte druppels neer, die de longen als kiemplaats kiezen. Coronamisère! Er groeit verlangen ‘naar schone buitenlucht’. In deze observatie klinkt enig cynisme door in deze overwegend mild gestemde poëzie. Vertel gerust ‘hoeveel vrije adem je zou willen’. Ook de passage over de benauwenis in de ‘bejaardengevangenissen’ stemt niet gerust. Al dit onheil roept een bestaansbegeerte wakker nu de aarde zijn ‘bromtonen’ laat horen.

De afdeling ‘Tijdelijk verblijf’ gaat in een aantal situaties over het verlies aan identiteit op het moment dat eenzaamheid en ziekte je leven bepaalt. Weg bij de drukte van de kerstinkopen en feestverlichting met de auto naar een modderig bospad ‘een vreemde in jezelf vinden die dat kennelijk wil’ en ‘Tot op het bot’ koud worden. In ‘Worsteling’ klemt de ik zich vast aan de benodigde papieren voor het geval de vrouw op neurologie zal sterven: ‘Ik keek de stoel aan in de ziekenkamer zoals hij mij aankeek / zat daar maar, met op mijn schoot haar wil.’ Hoe is het ‘als het bederf / tot in je enkels daalt, je hoofd een drassig nest is dat vodden maakt / van wat een wonder heette?’ Wat een machteloosheid om contact te houden met iemand die bezig is de wereld te verlaten: ‘Ik probeerde iets als strelen, mijn hand een bleke vlek.’ In het lange gedicht ‘Zee van Craske’ speelt de identificatie van Laura Augusta Eke met het lot van de schilder-haringvisser John Craske (1881-1943) een cruciale rol om hem het gevoel te geven: ‘er komt een expositie, want kijk toch eens die schuimkoppen.’ Zijn schilderachtige tapijtweefsels geven uitdrukking aan zijn liefde voor de zee. Deze man wordt door zijn vrouw bijeengehouden.

De ik beweegt zich in de afdeling ‘Ademrijk’ al fietsend, varend en lopend door het land waarin zich momenten van identificatie voordoen. In ‘Om ons het tij’ geeft een dagje aan het strand na afloop het vreemde besef: ‘wie zijn we nog nu we terugspoelen over het land’. In de twee gedichten over de ‘Gestapelde tijd’ speelt Hanegraaf met het ik-perspectief waardoor eenzelfde scène in beide gedichten telkens een ander beleving oplevert. Een fietser verplaatst zich staand voor de spoorwegovergang in de rol van treinpassagier, om ten slotte zichzelf aan te kijken vanuit die trein, terwijl in de andere versie de ik in de trein zit en zichzelf ziet staan bij de overweg: ‘Een seconde lang kijken we naar elkaar / zoekend naar het verlorene of wat nooit aanwezig was.’ Op geen enkel moment zijn de ikken gelijk aan het voorafgaande ik. Identiteit wijst niet op iets wat vaststaat, maar wat voortdurend aan verandering onderhevig is. Of zoals de ik in het gedicht ‘De paden markeren’ zegt: ‘ik, de dichter, blijf zoeken naar wat ik zag.’ In ‘Richting’ lijkt het erop dat gedurende de tocht over het meer ‘mijn handen (…) bijna uit zichzelf [weten] / waarheen en hoe ik moet laveren.’ Mens en boot zijn zozeer een eenheid dat de ervaring de weg wijst. De ik vraagt zich af: ‘Kon ik het land zijn / met de kleine verschuivingen van het worden’. Het blijkt niet mogelijk te zijn de ‘bestaansbegeerte’ als ultieme identiteit vast te houden.

Hanegraaf heeft een hoogst interessante bundel geschreven, die rijk aan subtiele beelden, rijp en wijs van taal, gelaagd aan werkelijkheden is, passend bij het wijkend en wisselend perspectief van de identiteit. Het zich onderdeel te weten van de natuur en daarin een tevredenheid te vinden geeft aan deze bundel een universele want religieuze kwaliteit.
____

Marijke Hanegraaf(2022). Bestaansbegeerte. De Arbeiderspers, 74 blz. € 20,00. ISBN 9789029547635

Geplaatst in Recensies.