Liesbeth V. Hafenrichter

Liesbeth V. Hafenrichter is geboren in 1958 en groeide op in Zuid-Duitsland. Op haar 22e werd zij ontdekt door Uitgeverij Frauenoffensive. De eerste Nederlandse gedichten verschenen in Stadskrant De Lawine [onder redactie van Rokus Hofstede] later volgden publicaties in bloemlezingen van VU-Podium, Dichters in de Prinsentuin, Podium Ongehoord en op MEANDER. In 2010 nam zij deel aan de Vlaams-Nederlandse anthologie ‘Nog een lente’ en in Nynade verschenen diverse gedichten en een kort verhaal.

 

 

Alleen maar even laten weten dat ik ongedeerd ben

Naamloze bomen gevallen langs het fietspad dragen de laatste bloesem,
als geknipt voor een vaas. Maar eenmaal thuis topzwaar, belachelijk haast.
Dat krijg je ervan, als je alles wilt bezitten.

Terwijl de bommen neerdalen op Marioepol laat ik je via google share
de vorderingen van het zaaibed zien. Kijk, het gaat al hard.
Vergeetmenietjes zijn het nieuwe onkruid, ondiep wortelend.

Al dat schermen – zodat het niet lijkt alsof alles en iedereen vervangbaar is –
Nog is het luchtruim tussen ons begaanbaar, doen satellieten braaf hun
werk zonder te botsen. Ik weet het, je had het liever met je eigen ogen gezien.

Ik vier deze clandestiene lente met koude koffie in de bloemrijke schuilkelders
van mijn verbeelding. Hoe best wel normaal alles kan zijn, als je het echt wilt.
Buurvrouwen die ik bewonder zemen ramen en deuren.
Grensrivier

Zo is het vastgelegd: de steen die uit het water steekt
mijn donkere zus met haar lange dunne elfjesarmen
omzwermd door laagvliegende helikopters met gezichten
het snerpende geluid van libellenvleugels, iriserend, groen.
Zij kan al zwemmen, maar niemand prijst haar wat ze later
verwijtend op elke verjaardag tegen ons zal zeggen.

Moeder de filmster op een rots in haar gesmokte badpak
Das Beste uit Readers Digest lezend, een zondagse pruilmond
onder haar vlinderbril. Alles heeft plooien, en de rots
scherpe kantjes waaraan je je voeten kunt bezeren.
Aan de andere oever van het gorgelende water woekert een zoom van
zwaardlelies en prikkeldraad, verrijst het witte bord met uitroeptekens

Halt, HIER stehenbleiben ! LEBENSGEFAHR !

Vader met gespierde bovenarmen glanzend van het zweet, opgetogen
achter de zelfontspanner Achtung achtung ! Kijk goed naar de camera
niet je ogen dichtknijpen laat je tanden zien, ja – zo is het goed.
Drie, twee, één de foto is gemaakt, we lachen weer te laat, het geeft niet.
Wij zijn al in het Westen en we laten papieren scheepjes varen op het water,
onophoudelijk naar lome zwarte dazen meppend nog net voor ze gaan bijten.
Wachten

Vertel nog eens opa, hoe je dat kolere eind van Siberië
naar Tsjechoslowakije terugliep met je paardrijlaarzen aan,
katoen plukte in Oezbekistan, malaria kreeg en nachtenlang
in boerenschuren ijlde. Hoe er soms een stukje treeplank van een trein was.

Vertel nog eens, opa waarom je het heel zeker wist dat ze
op je zou wachten, een zomer, een herfst en een winter
zonder ook maar één stervenswoordje van je te vernemen
en met wat voor blik in haar watergrijze ogen ze het ook weer zei:

Ben je daar dan eindelijk, Jószef
Geplaatst in Gedichten.