Jan Graafland – De snoek en de kat

Dichten voor zelfbehoud

door Æde de Jong




Jan Graafland (1962) was van 2009 tot 2011 stadsdichter van Gouda. Na deze periode verscheen de dichtbundel Gouda op heterdaad (2011). Verder publiceerde Graafland de dichtbundel De mierenmaker (2014) en het ‘lyrisch-prozaïsche tuinboek’ Groenegenade (2020). Dit jaar verscheen De snoek en de kat (2022).

Evi Aarens, de ‘recensiedokter’, merkte op 23 juni 2022 op Jong Neerlandistiek al op dat poëzie steeds meer op proza gaat lijken. Of dit een goede ontwikkeling is, is een tweede. Als dit doorzet, rijst de vraag waar de grens ligt tussen poëzie en proza. Dat geldt ook voor de gedichten in De snoek en de kat. De zinnen bestrijken soms meerdere regels en worden afgebroken, maar dat is lang niet altijd het geval. Soms bevatten de dichtregels meerdere korte zinnetjes, zoals in de eerste strofe van het eerste gedicht na de proloog, genaamd ‘Wespenregen’: ‘Het donkert. Ons tuintje verdwijnt. Uitzicht wordt afgrond. / Nu komt het op ons aan. Wij drinken het weg. Wij lachen erom. / Ik lach om mij. Jij lacht om mij. Wij lachen om elkaar (…).’ Later in het gedicht bestrijken de zinnen meerdere regels en worden er komma’s gebruikt, in plaats van zinnetjes in telegramstijl. De bundel bestaat uit 49 dergelijke gedichten, inclusief een proloog.

Volgens de tekst op de achterflap is De snoek en de kat ‘een dichtbundel die leest als een roman’. De bundel begint dan ook met een proloog waarin de ik-persoon geboren wordt, de moeder sterft en de vader ‘een onheilspellende schaduw’ is. In het tweede gedicht, ‘De kelder’, komt de lezer te weten dat de ik-persoon in een soort disfunctionele relatie zit, waarbij de personen elkaar bijten, de vrouw hem slaat en hij haar in de kelder opsluit. In de tweede strofe van ‘Naakt feit’ blijkt dat dit al jaren gebeurt: ‘De heldere jaren, wat hebben wij heerlijk gevochten; / jij lukraak op mij inslaand, ik handig omgaand / met het wapen van de taal.’ Dit blijkt na enkele jaren toch een recept voor mislukking, want: ‘De wijn staat in grootverpakkingen klaar in de kelder. / Wij samen, dat gaat niet meer zonder verdoving.’ (eerste strofe ‘Naakt feit’). In het gedicht waaraan de bundel zijn titel ontleent en dat uit maar één lange strofe bestaat, blijkt dat de snoek en de kat symbool staan voor de ik-persoon en zijn geliefde die elkaar naar het leven staan: ‘Het sneeuwt schubben en plukken kattenhaar. / Bloed vloeit. Niets ernstigs.’

In het gedicht ‘Het bed’ – dat bestaat uit vijf disticha van één zin die telkens na de hoofdzin afgebroken wordt – blijkt in de vierde strofe dat ze het bed niet meer delen: ‘Het bed is onbespreekbaar geworden, / wordt slechts voor één nog gespreid.’ Dat leidt tot het volgende ongemak: ‘Ik loop met een kruiwagen compost rond, / weet niet waarheen met mijn vruchtbaarheid.’ Dit euvel is voor de ik-persoon dusdanig groot dat deze distichon zowel de tweede als de vijfde strofe is.

Van een dichtbundel die opent met een citaat van Carl Gustav Jung verwacht je veel meer, maar in het ronduit tenenkrommende gedicht ‘Genderkwestie’, waarin blijkt hoe de vork in de steel zit, maakt Graafland het wel heel bont:

GENDERKWESTIE

Biecht ik alles eerlijk op, ga jij op stel en sprong bij me weg
voor die boom van een vrouw. Grote handen heeft ze.
‘Girlpower’, ik hoor het je nog zeggen.

Zij ook weg bij haar man. Hij en zijn vriend ook weer
gelukkig. En ik dan? Wat moet ik denken?
Ik zou er haast nog van aan mijzelf gaan twijfelen.

Een enkele keer wordt er in de bundel op de Bijbel gealludeerd, zoals in de tweede strofe van ‘Wespenregen’ (‘Begint het wespen te regenen. Bij tientallen vallen ze / van de gistende druiven boven ons hoofd, / tik tik op de tegels.’) of in de eerste strofe van ‘Toorn’ (‘Wij praten amper of jij laat de sprinkhanen op mij los.’). Alsof de (ex-)partner van de ik-persoon wraakzuchtig is als de God van het Oude Testament. In andere gedichten waar je dat ook zou verwachten, zoals ‘Braambos’, gaat het gewoon over een braambos.

Het merendeel van de bundel bestaat uit observaties die de ik-persoon doet in de tuin, verwoord in kneuterig proza dat zo gerangschikt is dat het op een gedicht moet lijken. De merel en de mier hebben de ik-persoon niet nodig en willen naar eigen zeggen van hem af, net als zijn vrouw.

Het beste gedicht uit de bundel – al zegt dat niet zoveel – is ‘Nacht’, voornamelijk vanwege de boodschap en de beklemmende sfeer:

NACHT

Ik word niet gek.
Ik ben anders dan mijn vader
die opgesloten zit.
Ik heb een globe
en een draaibare kaart van de sterren.
Ik heb totale controle.

Laat hem maar komen, de nacht.
Wie maakt hier de kamer zwart?!
Niet opkijken nu.
Afstandelijk blijven.
Rustig het roofdier laten betijen.
Niets zeggen.
Iets zingen.
En stilletjes door blijven draaien.

In de laatste regel van het gedicht ‘Op zolder’ zegt de dochter: “‘Je moet weer gaan leven vader’.” Er is te veel sprake van ongebreidelde sentimentaliteit, die te weinig met vakmanschap is bewerkt tot voor anderen behapbare gedichten. De gedichten zijn daarnaast niet goed genoeg om dit voor lief te nemen en je door de stortvloed mee te laten sleuren. Ook de biotoop van de dichter komt niet goed over, terwijl  andere dichters dat volstrekt overtuigend weten te doen. De gedichten met een existentialistische insteek komen niet goed uit de verf.
____

Jan Graafland (2022). De snoek en de kat. Sub SignoLeonis, 68 blz. € 12,50. ISBN 9789082835038

Geplaatst in Recensies.