Interview Anneruth Wibaut

‘Toen mijn vader mij maakte’

door Marten Janse

 

‘Toen mijn vader mij maakte / schiep hij ook mijn moeder’. Maar toen Anneruth Wibaut in 2015 haar eerste dichtbundel uitbracht, vergat ze het titelgedicht daarin op te nemen. Nu, zeven jaar later, levert hetzelfde gedicht de titel op van haar autobiografische roman èn tweede poëziebundel. Daar staat het op pagina 17 [eerder gepubliceerd op Meander].

Anneruth heeft ruim veertig jaar in het onderwijs gewerkt, is gepensioneerd en vrijwilliger bij de Haarlemse Dichtlijn.

foto Geek Zwetsloot

 

Dit jaar verscheen een nieuwe dichtbundel van jou, tegelijkertijd met een roman met dezelfde titel… Hoe zit dat?
Ik heb even met de gedachte gespeeld om het in één band uit te brengen maar dan doe je de lezer tekort, want niet iedereen die van proza houdt, houdt ook van poëzie. Daarom zijn het twee uitgaven geworden. En omdat ik ervan hou om af en toe een beetje te ontregelen, is het twee keer dezelfde titel geworden.
De titel is een dichtregel uit een gedicht met een behoorlijk Messiaanse toon, dat is een van de kenmerken van het transgenerationele oorlogstrauma waarover ik schrijf: het gevoel, nee, de opdracht om de wereld te moeten redden.

Waar haal jij de woorden vandaan?
Ik denk in woorden, ik heb pas laat begrepen dat je ook in beelden kunt denken. Ik zoek woorden en bereid mij voor op hoe ik anderen kan vertellen wat ik meemaak. Of ik hoor twee commentaarstemmetjes die met elkaar bekvechten.
Als ik een gedicht schrijf, open ik dat soms wel tien keer per dag op mijn computer om te kijken of alles klopt of dat ik verder moet zoeken om precies de juiste woorden te vinden. ‘Maken’ en ‘scheppen’ bijvoorbeeld, uit het titelgedicht… ‘Maken’ is veel aardser, met de voeten in de klei, terwijl ‘scheppen’ veel hemelser is.

Een gedicht begint met een leegte of een zinderende woede die als een vulkaan uitbarst. Als ik dat vertel, heb ik er wel een beeld bij, dan zie ik zo’n massa brandende steen, een bol van magma. En dat is zo overweldigend, hoe ga ik dat op papier krijgen? Dus daar moet ik woorden tegenaan plakken waardoor het gekanaliseerd kan worden. Poëzie is in die toestand levensreddend, want ik word soms overspoeld en dan is iedereen en alles de klos als ik niet naar de woorden toega met de vraag: wat is dit dat zich aan mij openbaart? ‘Dichten is dienen, is woorden om leegte vouwen’, schrijf ik in de bundel.

 

en altijd de woorden

scherven schikken
rond dode broer met broze dochter
boze wespen en angst en
een vader met sigaret die niet hielp
iets met brokken en
lijmen of moeder
een hond kennen die vrede sticht
geen hond kennen die me zoekt
het mompelen van meneren
die mooi zijn en dat van mij zeggen
maar ik versta houvanje
dichten is dienen
woorden om leegte vouwen
een jas van spiegelstof
waarin ik wegval
en jij wel min of meer past
lezer
luisteraar
lieverd
plaats voor jou
dat je houvanjou
mompelt
en je leven bedoelt
en de scherven
en altijd de woorden

De gedichten ontstaan uit emotie of onmacht, bijvoorbeeld omdat hele nare mannetjes hele nare dingen doen in onze wereld, maar soms ook gewoon omdat ik denk dat zou interessant zijn om daar eens over te schrijven. Het is ook leuk om te knutselen met taal, het is niet altijd zo heftig!

De gedichten in je bundel zijn gerangschikt volgens de hoofdstukken van je autobiografische roman met een chronologische verhaallijn. Zit die chronologie ook in je gedichten?
Nee helemaal niet. Veel gedichten waren er al, sommige heb ik geschreven voordat ik aan de roman begon. Ik heb ze bij het verhaal gezocht om er extra kleur aan te geven. De relativering, de lichte toon en de humor, zijn een overlevingsstrategie om er mee om te kunnen gaan. Bij mij voelt ‘overleven’ meestal als een te zwaar woord, er zit ook gewoon iets van een flierefluiter in me.

 

toen mijn kroegtocht begon

toen mijn kroegtocht begon
had wie hip was een eend
mijn moeder een diane
die ik leende in de nacht
heen nog secuur vijftig
terug dronken en eufoor
met honderd
over de kortste snelweg
van het land
rijden over de zoevende klinkers
van het Museumplein
was als vrijen
ik bedoel wat je denkt
dus minnaars voor een nacht
die mij ouwe ijs
na kleintje pils voerden
in Pieterspoort en Pieter
voor ze slap van drank
de nacht in tuimelden
zocht ik niet
ze vonden mij

 

Er is een verschil tussen mijn proza en poëzie: het boek schreef ik voor de lezer en de poëzie voor mijzelf. Wie denkt dat mijn roman een therapeutische exercitie is, heeft het mis. Voor het verwerken van dat stukje van mijn leven heb ik professionele hulp gehad van geschoolde therapeuten. Het boek vertelt een verhaal. Maar de poëzie ja, die kan helend werken. De humor en de lichtheid komen namelijk uit de taal, vanuit de associaties. Die reiken mij de hand en leiden mij weg van de zwartheid.

Toen mijn ouders in 1996 samen voor de dood kozen heb ik daarna ook dagenlang poëzie geschreven om het te kunnen ordenen, om het behapbaar te kunnen maken.

Kun je ook luisteren?
Nee, haha, jawel maar ik heb wel de behoefte om te checken of wat ik hoor ook klopt. Waarom stel je deze vraag eigenlijk?

Ik heb veel klassieke muziek geluisterd, ook in het Concertgebouw, maar mijn gehoor laat dat niet meer toe. De muziek wordt vervormd en ik denk dan dat ze vergeten zijn te stemmen, mijn oren doen dat. Bij poëzie is dat niet het geval en ik luister er heel graag naar en ik vind het echt heel naar als het onverstaanbaar is of de geluidstechniek hapert. Ik luister bij voorkeur niet op een heel wakker niveau, trouwens, ik zou het niet kunnen herhalen. Ik beweeg met de dichter mee, luister naar de compositie.

Mij spreekt kunst aan als ik welkom ben en er m’n eigen interpretatie aan mag geven. Ik wil de urgentie horen, het raakt mij niet als er geen conflict in zit.

Lichtpuntjes in de duisternis?
Ik denk wel eens dat het oorlogstrauma van mijn moeder een soort teer is die via een infuus bij mij naar binnen is gedruppeld. En chemisch gezien kun je van teer geen diamantjes maken, maar het wonder van de verbeelding is dat die dat wel kan: diamanten scheppen uit teer. Dat is de essentie van de mens, je er niet bij neerleggen en oppervlakkig worden, maar vasthouden aan de hoop, de liefde…  -het is moeilijk om bij de clichés weg te blijven als ik dit zeg en ik haat clichés!-

woede

we moeten het hebben
over het goed en kwaad
van woede
wie kiest voor niet boos zijn
zal gezapig in stilte
verstarren tot steen
wij moeten bekijken
wat je doen wilt of kunt
als de woede je grijpt
wie mag er heersen
jij of
de woede of
wie hem je gaf
we moeten de wegen verbreden
voor het koelen van woede
als in de staalbouw
de goten en mallen
voor gloeiend metaal
de schepping verrijken
met wat uit de stilte
nooit zou ontstaan
woede niet willen
leidt tot verstening
woede niet koelen
tot verschroeiende dood
woede is willen
is maken en smeden
van vorm en van leven
scheppende woede is goed

Die diamantjes zijn ook begerenswaardig voor anderen, heb ik ontdekt. Daarom ook heb ik deze bundel gepubliceerd. Pas toen ik met m’n werk naar buiten kwam, na mijn pensioen, op het podium van de Haarlemse Dichtlijn, ontmoette ik andere dichters met wie ik de liefde voor de poëzie kan delen.

En alsof we nog niet wisten hoezeer we het gemist hadden, werd op het Hemelvaartsfestival duidelijk dat we gewoon hongerig waren om weer naast elkaar te zitten en naar poëzie te luisteren, de mooie zinnen in te drinken, de ogen te sluiten en mee te gaan in de cadans van de uitgesproken woorden. De verbinding met mededichters is een prachtig geschenk dat ik heb teruggekregen door mijn diamantjes te delen.

Geplaatst in Interviews.