Anne Provoost – Krop

Opgekropte gedichten die eruit moeten

door Herbert Mouwen




De Vlaamse schrijfster Anne Provoost die romans, essays en kinder- en jeugdboeken heeft geschreven en tevens veel prijzen voor haar werk ontving, debuteert met een dichtbundel met de korte titel Krop. Het woord ‘krop’ roept bij mij verschillende betekenissen op, zoals een krop bladgroente, de betekenis van slokdarm of keel en het gevoel van angst en benauwdheid dat iemand kan krijgen bij een heftige positieve of negatieve emotie. Zelf zegt ze in een radio-interview dat ze tot het schrijven van poëzie kwam, omdat ze merkte dat haar teksten meer en meer een ritmisch karakter kregen en dat tijdens de coronaperiode van het opgesloten zijn ook actuele onderwerpen een plaats kregen in haar gedichten. Verder was het een kwestie van ‘Het was iets wat eruit moest, het zat opgekropt,’ De lezer die haar prozawerk kent dat aan dit debuut voorafgaat, zal wellicht tot de conclusie komen dat het eruit gooien van wat opgekropt is, verder in haar oeuvre teruggaat dan dat van de poëzie. Eerlijk gezegd geloof ik niet in het gescheiden houden van de verschillende schrijfgenres waarvan een auteur zich bedient en dat geldt zeker voor Anne Provoost. Zij is met het uitbrengen van deze dichtbundel niet iets anders gaan doen. Wel erkent ze dat genres als proza en poëzie op verschillende wijze effect op de lezer hebben. In hetzelfde radio-interview stelt ze dat opkroppen ook zoiets betekent als het zoeken van woorden door de dichter en dat een interpretatie van een gedicht te vergelijken is met ‘vogels die hun eten voorkauwen voor hun jongen’. Het heeft te maken met het doorgeven van de poëzie aan de lezer en het samen onderzoeken van de woorden en hun mogelijke betekenissen. In een roman werkt dat anders, een prozaverhaal is eenduidiger, daar ontbreekt de ambiguïteit van de taal.

De bundel Krop bestaat uit vijftig gedichten. Veruit de meeste hebben een behoorlijke lengte. De bundel is niet verdeeld in afdelingen, waarin bijvoorbeeld gedichten met hetzelfde onderwerp zijn ondergebracht. Eerder kan gezegd worden dat een nieuw gedicht telkens de lezer verrast, omdat een nieuw thema aan de orde komt. Een thematische lijn is in Krop afwezig. De beeldtaal van de meeste gedichten is complex. Als lezer lukt het me meestal om de eerste strofen van een gedicht voldoende tot goed te kunnen interpreteren, maar een aantal gedichten breng ik als lezer niet tot een goed einde wat betreft de interpretatie. Ik loop vast in de stapeling van beelden, begrijp niet altijd waar het gedicht zich naar ontwikkelt of wat uiteindelijk een specifieke gedachte van een gedicht kan zijn. Wel valt me de erotische laag van een aantal gedichten op, zoals in het volgende gedicht:

Honger

het gedicht dat ik had willen schrijven
als het niet al was gedaan
gaat over levend vogels achternaduiken
braamvrij weer opstaan
en jezelf betasten om te weten hoe het is gebeurd

een bed vinden voor het liggen
in een kamer met hoeken noch kanten
een kogelrond raam
voor het kadreren van de zonsondergang
en genoeg honger
om van al je gewicht af te raken

dan bladloos wachten op een man
die naar binnen kan
die kijkt, zwijgt, slikt,
en als chocolade bevredigt

Versregels als ‘jezelf betasten om te weten hoe het is gebeurd’, ‘een bed vinden voor het liggen’ en de gehele laatste strofe, met ‘bladloos’ in de paradijselijke betekenis van naakt, lenen zich voor een erotische interpretatie, hoewel ik me kan voorstellen dat niet iedere lezer daarin meegaat. Anne Provoost heeft zeker aandacht voor het puur fysieke in haar gedichten. Het gedicht ‘Jong belegen’ begint met de volgende, bijzondere distichon: ‘Ruik toch wat we bewaren in lellen, in liezen, in navels: / talgsecretie, enzymen, fermentatie geklit to witdonzen kaaskorst’.

Vooral over alledaagse dingen dicht Provoost, zoals over de geboorte van haar kinderen, haar echtgenoot, haar vader, over het klimaat, over het leven in vroegere tijden, over ouder worden en de dood. Het titelgedicht ‘Krop’ begint aldus: ‘We hebben de jaren al, / dus het beste wat / ons nu kan overkomen / is vroegtijdig dood te worden verklaard / in een krant of op een Facebook-status’. Een gedicht over ‘het klooster van de torenhoge adelaar’ in het Dilidzjan Park in Armenië, ‘Sint-Astvatsin in Haghartsin’, is een opvallende keuze, maar inhoudelijk blijft het gedicht voor mij duister. ‘Traagschuim’ is een gedicht over een herkenbaar onderwerp: een matrassenwinkel, waar je als klanten (‘ouden van dagen’) het matras van het bed mag proberen.

Traagschuim

Hoe we van woorden hielden
die in de mode waren
bij topdek en traagschuim opgewonden raakten
rechtopstaand in de matrassenwinkel
memory foam gilden
als iets wat we al een keer hadden meegemaakt
maar dan sneller

waar we dan als ouden van dagen
langzaam op gingen liggen
onze botten in aanraking brachten
met de specifieke aanbieding van de maand
een verse laag die garant zou staan
voor een verlengde levensduur van jaren
(van de matras weliswaar)

de vorm aannamen
de bouncing capacity opmaten
met ons West-Vlaams spraakgebrek
lijk galve haren

tot we plat waren
tot we schuimden

Inhoudelijk gaat het gedicht met name over modieuze woorden, neologismen en het overbodig gebruik van het Engels en dat afgezet tegen ‘ons West-Vlaams spraakgebrek / lijk galve haren’, wanneer de we-figuren ‘de bouncing capacity’ (d.i. het stuiterend vermogen) opmeten. Ook in dit gedicht is een erotische benadering mogelijk, zeker in relatie tot het ouder worden. Het matras heet nu ‘traagschuim’ (‘memory foam’) en de ‘we’ in het gedicht raken opgewonden van ‘iets wat we al een keer hadden meegemaakt / maar dan sneller’.

Het verzwijgen van pijnlijke kwesties is kenmerkend voor prozawerk van Anne Provoost. Enkele romans van haar zijn op dit gegeven gebaseerd. Dat kan niet gezegd worden van haar poëzie. Haar gedichten zijn heel direct en ook zorgvuldig en compleet uitgewerkt. Toch laten een aantal gedichten mij als lezer ontsporen, de weg kwijtraken. In veel gevallen weet ik de draad weer op te pakken, maar een enkele keer haak ik definitief af. Wel treft het activistische geluid in een aantal van haar gedichten mij, zoals de felle toonzetting in de eerste verzen van ‘Cheerleaderlied voor de onbeslisten: ‘Er is altijd een tijdstip dat alles / ontheiligt, het heet / nu, dat het moet gebeuren, geen uitstel / er zit kracht in en scherpte’. Ook de afsluiting van het gedicht mag er zijn: ‘Dus ga! Ga! Ga dan / op het startschot dat blaft / naar het nu dat je later pas / naadloos ook past’. Laat dit duidelijk zijn: de dichtbundel Krop is er een voor fijnproevers en volhouders, maar let op, niet alle gedichten zijn even gemakkelijk toegankelijk. De lezer moet de uitdaging aangaan, maar dat is het probleem toch niet!

Hier het radio-interview met de dichter op de Vlaamse Radio 1, 13 juni 2022.
____

Anne Provoost (2022). Krop. Querido, 80 blz. € 18,99. ISBN 9789021464367

Geplaatst in Recensies.