Jacobus Bos – Wie de geest krijgt

We dragen de doden met ons mee

door Æde de Jong




Mijn collega-recensent Kamiel Choi schreef in zijn Meander-recensie over de vorige bundel van Jacobus Bos, De waan en zin van het bestaan (2019), dat Jacobus Bos ‘een dichter [is] die in stilte aan een indrukwekkend oeuvre heeft geschreven, dat ten onrechte grotendeels is genegeerd’. Dit lijkt nog steeds het geval te zijn en dit citaat staat dan ook als terecht verwijt op de achterflap van de nieuwe bundel van Bos, Wie de geest krijgt (2022).

In zes afdelingen (‘Op de valreep’, ‘Zonder tegenbericht’, ‘Landschap en schaduw’, ‘Nachtreiziger’, ‘In het drijfzand van de tijd’ en ‘Waar zelfs dieren eenzaam zijn’) lezen we hoe een zoon worstelt met de dood van zijn vader, al blijft hij hem zoeken en vinden in herinneringen en hallucinaties, die zich soms op kosmische schaal en soms op heel kleine schaal afspelen. Op de achterflap wordt twijfel gezaaid over de gesteldheid van de vader, maar dat de vader overleden is, staat vast, want dat lezen we meteen in het eerste gedicht, ‘Alsof hij een verzinsel is’. Dat feit weerhoudt de zoon er niet van om het gesprek met hem aan te gaan. In de een na laatste regel van het eerste gedicht lezen we: ‘Hij vraagt zijn vader hoe het is om dood te zijn.’

De zoon schrijft in de hij-vorm en dat creëert afstand, zowel voor de lezer als voor de verteller. De titel van dit eerste gedicht (‘Alsof hij een verzinsel is’) drukt de ontgoochelende ervaring van het verlies van een dierbare goed uit. De gedichten in de bundel laten de lezer zien hoe de zoon van de overleden vader daarmee omgaat.

Binnen de wetten van zijn eigen formule schrijft Bos zeer vormvaste gedichten. Het aantal regels per strofe van elk gedicht weerspiegelt elkaar telkens. Het eerste gedicht volgt het stramien 4-3-3-4:

Hij ziet zijn vader als een walvis in de diepte.
Onvoorstelbaar hoe lang hij onder water kan blijven.
Hoewel hij geen meter van zijn plaats komt.
Recht tegen een blinde storm in.

Alsof toeval hen samen heeft gebracht.
Alsof hij door een luik het verkeerde huis is ingegaan.
Hij binnen en zijn vader vol verbazing buiten.

Soms biedt zelfs wanhoop geen redding.
Als zij op blote voeten voor de waterval staan
die een sprankelend gordijn is van ijs.

Zijn vader veegt een lok haar uit zijn ogen
en doet hetzelfde bij het haar van zijn zoon.
Hij vraagt zijn vader hoe het is om dood te zijn.
Zijn vader kijkt hem lang en zwijgend aan.


Het thema water loopt als een rode draad door de bundel. Daarin kunnen verwijzingen ingebed worden. De eerste regel: ‘Hij ziet zijn vader als een walvis in de diepte.’ kan door de dubbelzinnigheid zowel naar het verhaal van Pinokkio als Jona(s) en de Walvis verwijzen. In het tweede gedicht, ‘In een betegelde leegte’, schrijft hij over het huis: ‘De leegte tussen hem en het huis wazig als zeewater.’ In het derde gedicht ‘De tijd voorbij’ thematiseert de verteller de afstand tussen hem en zijn vader als ‘De rivier van gietijzer tussen hen in.’ In het gedicht erna, ‘Als pakhuizen vol boeken in brand’, duikt de Dood in de laatste strofe (vol klankrijm) op: ‘Een man met een zeis slaat een zijstraat in. / Het gras geurt hartverscheurend. / Water glanst als een vacht in de nacht.’ Deze voorbeelden volstaan om het thema water te illustreren, maar de bundel bulkt ervan. Dat geldt ook voor existentialistische thematiek. In de eerste vier gedichten passeren wanhoop, de leegte, de onbevattelijke kosmos en de dood de revue al. Dat is in de rest van de bundel niet anders.

Bos draait het thema van Pinokkio – een pop die tot leven komt, nadat diens maker die wens hardop uitspreekt – en in het verlengde daarvan het verhaal van Pygmalion en Galathea, zoals door Ovidius beschreven, om. ‘Zo kijkt hij soms naar zijn vader. / Man die aan elkaar lijkt gelijmd en zo / de tijd heeft weten te doorstaan.’ We hebben dus met vormvaste, verraderlijk simpel verwoorde gedichten vol intertekstualiteit (‘uit stenen een vuur proberen te slaan’) en existentialisme en diepgang te maken.

Bos maakt daarbij gebruik van originele en spannende beelden en metaforen. Die komen niet altijd goed uit de verf, maar vaak genoeg wel. Het beeld ‘adem in het labyrint / van zijn longen’ is niet bijster origineel, maar ‘Zijn vader in zijn klapstoel in het gras. / Zijn zoon als een goudvis in een teil / van zink die tot de rand is gevuld.’ zie je meteen voor je. Het is ook een aardige toespeling op ‘als een vis in het water’ in een gedicht waarin de zoon aan zijn jeugd terugdenkt.

Zelfs sommige onoriginele regels weten te ontroeren. In het gedicht ‘Wie zich schuilhoudt blijft verborgen’ bijvoorbeeld: ‘Uiteindelijk gaat ook hij op in rook. / Zijn as diep in de aarde begraven. / Waarna het drie jaar lang niet regent’. Ook in het gedicht ‘Waar niets is hier’: ‘Zijn eenzaamheid zo overweldigend / dat zelfs naar adem happen niet helpt.’

Jacobus Bos heeft een bundel geschreven die het verdient om vele malen herlezen te worden. De ogenschijnlijk simpele en toegankelijke poëzie is uitnodigend, maar de diepte van de poëzie geeft zich pas na vele lezingen bloot. Wie de geest krijgt bevat rijke, beeldende poëzie, waarin voor meerdere soorten poëzielezers van alles te beleven valt.

____

Jacobus Bos (2022). Wie de geest krijgt. Wereldbibliotheek, 64 blz. € 22,99. ISBN 9789028452596

Geplaatst in Recensies.