Jacobus Bos – De waan en zin van het bestaan

Klassieke magie op zoek naar de stilte

door Kamiel Choi

In plaats van de gebruikelijke tegenstelling ‘zin en onzin’ verschuift de nieuwe bundel van Jacobus Bos onze blik naar ‘waan en zin’, ofwel zin en waanzin. Waanzin is niet de afwezigheid van zin, maar op hol geslagen zin. We mogen poëzie verwachten die vanuit het perspectief van de waan de zin op de hielen zit.

Trouw noemde zijn eerdere bundel Zingt de zee in 2007 ‘suggestieve poëzie die onze aandacht waard is.’ Het ging over de liefde en de dood. Deze bundel lijkt daar na twaalf jaar een vervolg op. De waan en zin van het bestaan telt vijf afdelingen: ‘Wat geheim is blijft geheim’, ‘De lust tot leven’, ‘Het wilde geheugen’, ‘Niemand waakt over hem’, ‘Tot het tegendeel is bewezen’.

De gedichten doen vermoeden dat Jacobus Bos als een soort moderne Slauerhoff rond de wereld reist, maar ik kon niets over zijn levenswandel vinden. Fictief of werkelijk, er is in ieder geval sprake van een rijkdom aan ervaringen.

De over elkaar heen tuimelende beelden werken als hallucinaties, zodat deze poëzie leest als een film van David Lynch. Lynch bevrijdt door middel van transcendente meditatie de vrije creativiteit; Bos associeert vanuit een diep verlangen naar voltooiing, afronding, verstilling die tegelijk op afstand moeten worden gehouden. Dit kunnen we illustreren met een keuze uit de laatste regels van een aantal verschillende gedichten, verspreid over de bundel.

(…)
waar een sneeuwval van licht op hen wacht.
(…)
en alles vreemd is en donker en zweeft.
(…)
en de eerste ster boven zijn ogen verschijnt.
(…)
De zon glinstert als een rugvin tussen ons in.
(…)
en het leven even geen geheim meer is.
(…)
alsof er geen aarde onder hen bestaat.
(…)
tot mijn schaduw rimpelt in de wind.
(…)
tot ik storm word en regen en de wind en de zon.

De gedichten zijn mooi en kundig geschreven, maar ze draaien altijd uit op een soort vervluchtiging, een soort terugname van het gedicht die we als saai kunnen ervaren (dit deed een eerdere recensent vermoeden dat Bos’ werk daarom, zij het ten onrechte, werd genegeerd).

Bos heeft duidelijk een eigen vorm gevonden: deze poëzie is op eigenzinnige wijze tamelijk vormvast. Ik vind het onderstaande gedicht uit de afdeling tot het tegendeel is bewezen representatief voor de bundel:

Vuur onder ijs

Bramen langs de spoorbaan en kamperfoelie.
Ik leg mijn oor op de rails en ruk
net op tijd mijn hoofd terug.

Mijn jeugd is onstuimig en vol avontuur.
Hoewel ik geen straatvechter ben zoals hij.
Al huist en woekert de woede in ons allebei.

Hij maakt zelfportretten die bloeden.
En dat op wonderlijke wijze blijven doen.
Roest dat gloeit en groeit op de vloer.

Ik verafschuw hem meer dan mijn spiegelbeeld.
Meer dan iedereen die ik ooit heb gekend.
Met zijn vleugels van zeeschuim en fluweel.

De brug over het kanaal gaat open en dicht.
De wind geeft mij de volle laag en de zon
plakt pleisters van licht over mijn ogen.

Ik klauter over het hek naar Niemandsland.
Daar besluit ik de rest van mijn leven te blijven.
Tot ik storm word en regen en de wind en de zon.

Het is lucide poëzie, die een hoogromantisch register door middel van wonderlijke metaforen voor de moderne lezer interessant wil maken. De eenzame lyrische ik verdubbelt zichzelf in een tour de force van zijn verbeelding waarin hij in een gedicht zelfs met een antitankwapen de leegte onder vuur neemt (‘de pantservuist van zijn verbeelding’) om ‘de leegte kleur te geven’ (Camus, van wie het motto afkomstig is), alsof onze ervaring door het contrast van de valse spiegeling waardig wordt:

Alsof hij in de gevangenis zit en ik niet.
Het glas onbreekbaar tussen ons in.

Alsof zijn bestaan meer is dan de daad
van twee ontredderde mensen in de oorlog
en de vraag of dat een vergissing was
of dat hij vol liefde werd ontvangen
toen hij naakt als marmer uit de golven kwam.

Of elders:

Ik haal diep en langzaam adem.
Alsof ik zeker weet dat ik nog leef.

Bos’ beeldspraak is soms aangrijpend. We zien grote dieren (walvissen, olifanten), maritieme metaforen, bloed, en vooral veel licht. De elegieën kunnen je als lezer in hun ban slepen. Op dat niveau is dit genietbare poëzie.

Op enkele plaatsen staan er platitudes die afleiden van waar het in de sterkere gedichten om gaat: de beschrijving vanuit het perspectief van de waan, die de zin op de hielen zit. Een dronkaard die ‘stapt over een leger van flessen / op een glijbaan van drank’ lijkt in deze bundel te zijn verdwaald.

Dat de bundel uiteindelijk recht doet aan het motto van Camus, dat de kunstenaar gelijktijdig de ontkenning en de vervoering op zich moet nemen door de leegte kleur te geven, durf ik hier niet te beweren. Naar mijn smaak hebben veel gedichten net niet de kracht om bij herlezing te ontkomen aan hun zelfontkenning of verkitsching, wellicht omdat ze te ‘uitleggerig’ zijn en het perspectief van de waan voortijdig opgeven, waardoor ook de zin vervluchtigt.

In ieder geval is Jacobus Bos is een dichter die in stilte aan een indrukwekkend oeuvre heeft geschreven, dat ten onrechte grotendeels is genegeerd.

____

Jacobus Bos (2019). De waan en zin van het bestaan. Wereldbibliotheek, 64 blz. € 15,00 ISBN 9789028427846

Geplaatst in Recensies.