Luc Vanhie – Spiegels van verlies

Paradox van verlies

door Douwe Wilts




In zijn strak gecomponeerde bundel Spiegels van verlies schrijft Luc Vanhie in vier afdelingen over het verlorene, onderzoekt hij wat verlies betekent. Het is echter allerminst een sombere bundel; het licht spat bij vlagen van de pagina’s. Met de inkt van dat licht herschrijft hij de betekenis van verlies. Het verlorene kunnen wij niet verliezen; het blijft ons bij. Ik zou dat de paradox van het verlies willen noemen.

Al vanaf de eerste afdeling getiteld ‘Het vacuüm van de vrome dag’ zet Vanhie de spanning erop. Sterker nog vanaf het eerste gedicht (pagina 6) is er volop spanning. In de eerste strofe is er sprake van ‘Een landweg voor wie langsgaat, / een landhuis dat wit oplicht, gelouterd door het lenteblad van een laurier, / een landschap, ingekapseld in het klankroer van een eclatante stad.’ Tot zover lijkt er geen vuiltje aan de lucht. Maar in de eerste regel van de derde strofe is er al sprake van ‘(…) een ochtend vol regen’. En de vierde strofe luidt als volgt: ‘Buiten klinkt de echo van een ekster, / het schurend scheldwoord / van een kettingzaag in een verkaveld bos.’ Meteen wordt de laurier met zijn louterende lenteblad gesloopt, zo lijkt het. En ook dat verkavelde bos doet denken aan verlies. Het verkavelde is immers verdeeld, heeft zijn geheel verloren. Hoewel je ook weer zou kunnen zeggen dat het verdeelde meer mensen voedt dan het onverdeelde. En daar zit dus die spanning.

In het laatste gedicht van de eerste afdeling (pagina 21) lijkt de spanning van het verlies voor het eerst te worden opgelost. Het is zo fraai dat ik het niet kan laten het hieronder in zijn geheel te citeren:

Staalblauwe lucht.
De torens blaken in de zon.

Het vloeibaar graniet van een rivier.
Een visser op een stenen brug.

Een toerist leest de legende van de stad
en het kabbelend verhaal in de kroonlijst van een kerk.

Een slechtvalk viert zijn vleugels.
Wat valt er te vrezen in het niemandsland van vrome anonieme dagen?

Een visser, een toerist, een slechtvalk. Geen van de personages in dit gedicht heeft een naam. In deze bundel zijn sowieso geen namen te bespeuren. Niet van dorpen, steden en bruggen, niet van rivieren en bossen, niet van dieren en mensen. De voorwerpen en personages in deze bundel leiden een anoniem bestaan; zelfs de dagen zijn anoniem. In deze bundel of op zijn minst in deze afdeling, een niemandsland van vrome anonieme dagen, valt niets te vrezen. Niet voor de visser, niet voor de toerist, niet voor de slechtvalk. De vraag is wat de personages in deze bundel hadden kunnen vrezen als zij niet anoniem waren. Het verlies van werk en inkomen, hobby’s, vrienden, gezondheid en het leven. Wat wij vrezen draait meer om het verlies dan om de overwinning. Het verlies van onze naasten weegt zoveel zwaarder dan dat van de anonieme levens die bij natuurrampen duizenden kilometers verderop. Wij hebben daarmee nog steeds het verlies te vrezen en de bundel is dan ook nog niet uit.

De tweede afdeling getiteld ‘Spiegelminiaturen’ bevat vormvaste gedichten, die allemaal uit twee strofen van vier regels bestaan. De opmaak van de gedichten in deze afdeling is afwijkend. In eerste instantie had ik het gevoel dat er in het midden van het gedicht steeds een strofe was weggehaald, die de eerste en de laatste strofe met elkaar moest verbinden. Pas bij uitgebreide herlezing viel het mij op dat er waarschijnlijk iets anders aan de hand is. De twee strofen in elk gedicht spiegelen elkaar. Ik zal hieronder het laatste gedicht van deze afdeling citeren (pagina 35) om het aan de hand daarvan toe te lichten.

Dagdromen met veel te grote ogen die de wereld zien.
Een meeuw die onvermoeibaar als een strijkstok navigeert
in het verlegen handvat van de morgen. De vrees
dat iets van groot gewicht voorgoed verloren gaat.




Een crypte, waar men afgedaalde trappen telt
in spiegels van verlies,
waar menige halte een lijkwade huldigt,
als een wereldwijde mantel van sneeuw.

In de eerste strofe is er sprake van een dagdroom met veel te grote ogen. En door die grote ogen, die teveel zien, groeit de vrees dat iets van groot gewicht voorgoed verloren gaat. In de tweede strofe lezen we over een crypte, een ondergrondse ruimte, waar men (ook mijzelf als lezer reken ik hier tot de groep die wordt aangeduid met ‘men’) afgedaalde trappen telt in spiegels van verlies. Er wordt hier dus iets gespiegeld. En het voelt hier alsof iets wat van groot gewicht is (eerste strofe) weliswaar verloren gaat, maar dat wij het verlorene niet verliezen, omdat het gespiegeld wordt. En dat is de paradox van het verlies.

In die crypte waar het verlies gespiegeld wordt, huldigt menige halte een lijkwade als een wereldwijde mantel van sneeuw. En weer is er sprake van een omkering. De sneeuw die ik in eerste instantie met koelte associeer, wordt hier gepresenteerd als mantel. Een mantel daarentegen associeer ik met warmte. Wat koud is, wordt warm; wat we verliezen blijft ons bij.

In de derde en vierde afdeling, respectievelijk ‘Kalender van de eeuwigheid’ en ‘Vrijheidsgraden’, werkt Vanhie uit hoe het verlorene ons bijblijft. Hoe knap Vanhie dat uitwerkt, laat ik zien aan de hand van een gedicht (pagina 59) uit de vierde afdeling. Ik zal het hieronder eerst volledig citeren.

De nacht is eindeloos.
De maan een naamloze naam,
het monotone masker van een anoniem bestaan.

Wat het betekent, is
ongrijpbaar als een griffel
in het graniet van de rots.

Kwetsbaar is alleen wie toekijkt,
eeuwig grissend naar de leuning van een wankele brug,
terwijl het water wegstroomt uit het spinrag van de spiegel.

In deze eindeloze nacht is de maan een naamloze naam. En dat klopt precies. Een naam is namelijk al van zichzelf een naam en wordt doorgaans niet gedragen door een andere naam. Daar komt nog iets bij, want de maan is het monotone masker van een anoniem bestaan. Wie anoniem is, heeft een onbekende naam, is naamloos. De betekenis van zo’n anoniem bestaan is ongrijpbaar als een griffel in het graniet van de rots. Een griffel is een stift, vaak van leisteen, om op een lei te schrijven. Deze griffel is ongrijpbaar in het graniet van de rots. Wij kunnen hem daar dus niet uittrekken om betekenis te geven aan ons anonieme bestaan. Dat betekent echter niet per definitie dat wij kwetsbaar zijn. Wij kunnen onze kwetsbaarheid opheffen door niet langer te grissen naar de leuning van een wankele brug.

Wij moeten niet proberen de afstand naar wat wij verloren hebben te overbruggen, omdat wat wij verloren hebben al bij ons is. Dat inzicht heeft mij zeer geholpen in het rouwproces omtrent het overlijden van mijn grootmoeder. Zij heeft mij de liefde voor de literatuur bijgebracht. In november vorig jaar overleed zij. De behoefte vervaagt om de afstand naar de tijd dat zij nog leefde te overbruggen, omdat zij, hoewel ik haar verloren heb, bij mij blijft. Het water stroomt weg uit het spinrag van de spiegel en door het spinrag heen zie ik: Wat ik verloren heb, blijft mij bij.
____

Luc Vanhie (2022). Spiegels van verlies. Uitgeverij P, 64 blz. €17,00. ISBN 9789493138698

Geplaatst in Recensies.